08 | 02 | 2019 | door: Erik van der Spek

Rechtse politici zijn gemakkelijker te begrijpen dan linkse

Is er verschil tussen toespraken van links en rechtse politici? Ja, volgens onderzoekers van de UvA. Zij analyseerden ruim 380.000 toespraken van politici uit verschillende Europese landen. De conclusie is dat linkse politici ingewikkelder praten dan rechtse.

De onderzoekers analyseerden een omvangrijk corpus van toespraken van politici uit tien Europese landen. Het gaat om ministers, presidenten en partijleiders uit onder meer Nederland, Duitsland, Engeland, Spanje en Zweden. Daarbij maakten ze gebruik van de Flesch-Kincaid leesbaarheidsindex. Deze index berekent de moeilijkheidsgraad op basis van het aantal woorden per zin en het aantal lettergrepen per woord; dit maakt het mogelijk om verschillende talen te vergelijken. Linkse politici gebruiken dus langere woorden én langere zinnen dan rechtse.

Cultureel en economisch links en rechts

De onderzoekers nuanceren wel de links-rechts-verdeling. Zij maken onderscheid tussen cultureel-rechts of -links en economisch-rechts of -links. Bij de culturele opvattingen gaat het over onderwerpen als immigratie, abortus en euthanasie. De verschillen in taalgebruik hebben betrekking op cultureel-rechts en -links. Als het gaat om economische opvattingen, vonden de onderzoekers geen significante verschillen. Kortom: politici die ruimhartig zijn in hun opvattingen over immigratie, abortus en euthanasie hanteren ingewikkelder taalgebruik dan politici die voorstander zijn van strengere regels.

Boze witte mannen

De onderzoekers hebben geen eensluidende verklaring voor de verschillen. Een mogelijke reden is dat sprekers hun boodschap afstemmen op de doelgroep. Om het een beetje te chargeren: boze witte mannen hebben behoefte aan helderheid, stelligheid en eenvoud, terwijl je bij de witte wijn sippende grachtengordelelite (zeven lettergrepen) met wat meer nuance en complexiteit terecht kunt.

08 | 01 | 2019 | door: Ave Luth

Korte inleiding tot het Trumpiaans

TrumpDonald Trump is niet alleen een controversiële president, ook zijn taalgebruik geeft aanleiding tot veel discussie. Niet alleen zijn tweets (met hun vele HOOFDLETTERS), maar ook zijn beledigingen, simplificaties, dooddoeners en overdrijvingen zijn voer voor psychologen, journalisten en taalkundigen. En natuurlijk is Trump de onbetwiste meester van de hyperbool. In Onze Taal 2019-1 doet collega Erik van de Spek een poging tot duiding: De taal van Donald Trump.

 

05 | 03 | 2018 | door: Erik van der Spek

Vaderland en moederschoot: naar een genderneutraal volkslied

Een topambtenaar van het Duitse ministerie van familiezaken heeft voorgesteld het Duitse volkslied genderneutraal te maken, zo schrijft de Volkskrant op 5 maart jl. Dat volkslied, bij ons vooral bekend van voetbalwedstrijden, bevat onder meer het woord ‘Vaterland’; dat zou ‘Heimatland’ moeten worden, thuisland dus. Ook het woord ‘broederlijk’ kan de toets der kritiek niet doorstaan: dat zou ‘moedig’ moeten worden.

In Duitsland is genderneutraal taalgebruik, geschlechtgerechte Sprache, al decennia lang een onderwerp van verhitte debatten. Daarbij gaat het niet alleen om neutrale benamingen en aanspreekvormen, maar ook om aanduidingen voor mensen die zich man noch vrouw voelen. Zo is Professor in het Duits mannelijk en Professorin vrouwelijk, maar Professx is een onbepaalde aanspreekvorm. In plaats van Leser of Leserin kan de neutrale aanduiding Lesecs gebruikt worden, zo staat in een mooi artikel in NRC Handelsblad van Juurd Eijsvogel en Peter Vermaas (15 november 2017).

Roze Amsterdammers

Ook bij ons is de beweging naar ‘inclusief taalgebruik’ in volle gang. De gemeente Amsterdam bracht in de zomer van 2017 een genderneutrale taalgids uit, die veel publiciteit kreeg. De aanhef ‘Geachte dames en heren’ zou vervangen moeten worden door ‘Geachte bewoners of Amsterdammers’.  Homoseksuele Amsterdammers mag ook niet, omdat homoseksueel alleen naar mannen verwijst. De gemeente Amsterdam geeft de voorkeur aan ‘roze Amsterdammers’.

Een land zonder vrouwen

En hoe zit het met het Nederlandse volkslied, het Wilhelmus? Als je dat leest, lijkt het alsof er geen vrouwen voorkwamen in het 16de-eeuwse Nederland. Het gaat alleen over mannen, van de Prinse van Oranje tot de Koning van Hispanje. Af en toe komt God er in voor, maar dat is ook een man: ‘Dat Hij mij kracht mag geven’.  In het Wilhelmus komen broeders voor (‘hoog van naam’), maar naar zusters zoek je vergeefs.  De ik-figuur, de Prinse van Oranje dus, is ‘Edel en hooggeboren/ van keizerlijken stam/ een vorst des rijks verkoren/ als een vroom christenman (vijfde couplet). De keizerin, de vorstin en de christenvrouw voelen zich niet aangesproken (laat staan de moslimvrouw).

Maar wacht, in het zevende couplet lijkt er toch naar vrouwen verwezen te worden: ‘dat zij mij niet verrassen/ in haren bozen moed’. Maar nee, ‘haren’ is een oud verwijswoord dat terugverwijst naar ‘mijn vervolgers’, vier regels eerder.  Lijkt het een keer vrouwelijk, is het toch genderneutraal.

20 | 06 | 2017 | door: Erik van der Spek

30 jaar Hendrikx Van der Spek

Begin juni vierde ons bureau haar 30-jarige bestaan in Rome. Normaal gesproken schrijven we niet graag over onszelf, maar dit keer maken we een uitzondering. Omdat we daarmee ook iets zeggen over 30 jaar communicatie. 

30 jaar, je zegt het zo gemakkelijk.  Maar in 1987 was de Muur nog niet gevallen, zetelde Ronald Reagan nog in het Witte Huis en Margaret Thatcher op Downing Street nr. 10. De Sovjet-Unie was nog niet uiteengevallen en werd geleid door Michael Gorbatsjov. 1987 was ook het jaar van het ongeluk met de Herald of Free Enterprise (193 doden). 19 oktober 1987 was Zwarte Maandag, een beurskrach zorgde wereldwijd voor een koersdaling van 20% – de grootse ooit. En om positief af te sluiten: Ajax won de Europa Cup voor Bekerwinnaars door in de finale Lokomotiv Leipzig met 1-0 te verslaan (doelpunt van Marco van Basten).

De oprichters, Erik van der Spek en Willem Hendrikx, voor de Sint-Pieter

Floppydisks

Hendrikx Van der Spek  was 30 jaar geleden een van de eerste bureaus die zich richtten op tekstredactie én training. Trainingsbureaus waren er wel, maar een tekstbureau was een novum; we moesten soms bij klanten uitleggen wat we precies deden. Maar ook in de communicatie was 1987 een stap terug naar een voorbije eeuw. Internet bestond nog niet, maar IBM lanceerde wel de PS/2 personal computer. Computers waren groot, log, konden nog niet een tiende van wat een telefoon nu kan, werkten met floppy’s en stuurden een matrixprinter aan. Mobiele communicatie moest nog worden uitgevonden, mail speelde geen rol van betekenis.

Jezelf blijven

Het gekke is dat er in die 30 jaar heel veel is veranderd, maar nog meer hetzelfde is gebleven. Natuurlijk is internet nu voor elk bureau de spil van het werkproces en natuurlijk maken we nu mobiele websites en e-learning voor klanten. Maar de kern is onveranderd. Goed luisteren naar klanten, een relatie opbouwen, proberen een oplossing te bedenken voordat de klant de vraag heeft geformuleerd. De techniek heeft een revolutie doorgemaakt, maar de manier van denken is hetzelfde gebleven. Daarom zijn we blij dat ook ons bureau zichzelf is gebleven: zonder veel poeha goede teksten, trainingen en adviezen afleveren waar onze klanten wat aan hebben.

Wie jarig is moet trakteren. Daar komen we snel op terug. In september beginnen onze nazomerworkshops en die zijn, in de geest van ons 30 jarig bestaan, geheel gratis!

06 | 03 | 2017 | door: Erik van der Spek

Maarten Welkers versterkt Hendrikx Van der Spek

Per 1 maart zijn Hendrikx Van der Spek en Maarten Welkers een samenwerkingsverband aangegaan. De eerste concrete resultaten zijn vier nieuwe communicatietrainingen.

Uitbreiding communicatievaardigheden

De samenwerking met Maarten Welkers komt voort uit de groeiende vraag naar meer toegespitste communicatietrainingen. Dit geldt met name voor de vaardigheden op het gebied van beïnvloeden en persoonlijkheidsontwikkeling: teamsamenwerking, omgaan met weerstand, beïnvloeding, persoonlijke ontwikkeling, sales en adviesvaardigheden. Vanwege de schat aan ervaring die Maarten Welkers op juist deze gebieden heeft, lag een samenwerking voor de hand.

Daarnaast zoeken steeds meer organisaties naar totale communicatie-oplossingen, waarbij zowel de mondelinge als de schriftelijke kant in hetzelfde project worden meegenomen. Met de komst van Maarten Welkers zijn dit soort trajecten nu veel eenvoudiger te realiseren.

Nieuw aanbod

De samenwerking tussen Maarten en Hendrikx Van der Spek leidt tot uitbreiding van ons trainingsaanbod met de volgende titels:

Maarten heeft deze trainingen de afgelopen 12 jaar niet alleen ontwikkeld, maar ook veelvuldig verzorgd bij bedrijven, overheden en non-profitorganisaties.

Verdere plannen

Deze vier trainingen zijn slechts een eerste stap in de samenwerking. Naast deze titels kunt u nu ook terecht voor maatwerktrajecten op het gebied van samenwerken in teams, omgaan met weerstand, verleiden in gesprekken, sales en persoonlijke ontwikkeling. Hierdoor wordt het palet aan trainingen van Hendrikx Van der Spek verder gecompleteerd. Hierbij vullen de trainingen elkaar goed aan. Immers, de kern blijft hoe communiceer je? Schriftelijk of mondeling, direct of meer strategisch.  

Verloren zoon

Maarten Welkers en Hendrikx Van der Spek zijn geen onbekenden voor elkaar: een van de eerste banen van Maarten was bij HVdS. Welkers ziet de samenwerking dan ook met veel vertrouwen tegemoet: “In de afgelopen jaren heb ik een schat aan ervaring opgedaan: ruim 12 jaar verzorgde ik bij Schouten en Nelissen trainingen en opleidingen en begeleidde ik grote veranderingstrajecten. Ik vind het een mooi idee om die kennis nu weer in te brengen bij HVdS, het bureau waar het voor mij op communicatiegebied allemaal begonnen is. De cirkel is weer rond.”

Kennismaken?

Wilt u meer weten over Maarten? Hij stelt zich graag aan u voor. Natuurlijk komt hij ook graag persoonlijk bij u langs om een toelichting te geven op de trainingsoplossingen die wij u kunnen bieden.

27 | 02 | 2017 | door: Erik van der Spek

Normaal doen in de zandbak

Alsof we nog niet genoeg geruzie tijdens de debatten zien, heeft het CDA ook een spotje gemaakt waarin kinderen ruziemaken. Een jeugdige Geert en Mark maken ruzie over wie later als Prins Carnaval de praalwagen mag besturen. De jonge Buma treedt op als vredestichter en vertelt dat hij later premier wil worden: ‘Iemand moet de verstandigste zijn!’

In het spotje echoën het ‘Pleur op’ en ‘Doe even normaal man’ weer als vanouds heen en weer. Normaal lijkt (met ‘verbinden’) een van de centrale begrippen van de verkiezingscampagne te worden. We schreven al eerder over het frame Normaal.Doen dat de VVD-campagne sinds de brief van Rutte bepaalt. Maar veel partijen geven hun eigen interpretatie aan wat normaal is. Normaal wordt daarmee een handig stopwoordje, of om in carnavalstermen te blijven, een worstenbroodje waarvan je de inhoud geheel naar eigen smaak kan samenstellen. En die inhoud kan na de verkiezingen best anders zijn dan daarvoor.

Boemerang

We lieten ook al eerder zien dat je frame zich gemakkelijk tegen je kan keren. De avond van de publicatie van Rutte’s brief gooide VVD-minister Van der Steur al roet in het eten. Zijn voortijdige (maar nauwelijks vroegtijdige) ontslag gaf een nare nasmaak aan het Normaal.Doen van Rutte. Terwijl ik deze tekst tik is er al weer een spoedberaad over Commissaris van de Koning Jacques Tichelaar, met zijn ‘ego in de grotere herenmaten’ (de Volkskrant). Ook een gevalletje Normaal.Doen?

Psycholoog

Overigens is ruziemaken in de zandbak heel normaal. Vredestichter spelen is al wat uitzonderlijker, maar een jongetje dat op de kleuterschool premier wil worden, dat is echt een geval voor de kinderpsycholoog.

21 | 02 | 2017 | door: Erik van der Spek

Sociale zekerheid: vangnet of trampoline?

Met de verkiezingen op komst voeren politici niet alleen een gevecht om de kiezer, maar ook om de taal. Metaforen zijn belangrijke wapens in die strijd. Dat zie je onder andere terug in de discussie over sociale zekerheid, en in het bijzonder de bijstand. Volgens een recent artikel moet het ‘sociaal vangnet’ nodig worden opgelapt: het vertoont gaten. Maar het vangnet is niet de enige metafoor als het gaat om bijstand: het moet de strijd aangaan met de valkuil, de hangmat, de springplank en de trampoline. Welk frame is het sterkste?

In een recent artikel houdt hoogleraar sociale zekerheidsrecht Gijsbert Vonk een pleidooi voor herstel van het sociale vangnet, de bijstand. Het vangnet is een metafoor die een frame oproept. George Lakoff heeft in zijn boek Don’t think of an elephant uitgelegd hoe dat werkt. De metafoor belichaamt een verhaal, in dit geval het verhaal van de verzorgingsstaat met alle waarden en normen die daarbij horen. Een goede metafoor zorgt ervoor dat je al die waarden en normen niet hoeft uit te leggen; de luisteraar of lezer krijgt ze er als het ware gratis bij.

Vangnet wordt valkuil

Hoe bestrijd je zo’n frame? Heel vaak met een ander frame, dus een andere metafoor. ‘Vangnet wordt valkuil’ is de kop van een artikel over de plannen van staatssecretaris Klijnsma: bijstandsgerechtigden moeten een tegenprestatie gaan leveren voor hun uitkering. Hoog tijd, vinden sommige medestanders: ‘De bijstand is een vangnet, geen hangmat’. Twee metaforen die elk een ander frame oproepen. Is de valkuil nog iets waar de persoon in kwestie per ongeluk in valt, de hangmat is iets waar hij voor kiest: ‘liever lui dan moe’.

Trampoline

De meest recente loot aan deze stam is de trampoline. Net als de springplank is de trampoline, in de beleidstaal van de Haagse ambtenaren, ‘activerend’: mensen ‘moeten geprikkeld worden’. In de woorden van voormalig werkgeversvoorzitter Alexander Rinnooy Kan: “Als we het nu érgens over eens zijn, is het dat sociale zekerheid meer is dan inkomenszekerheid. Het systeem moet mensen terug helpen naar de arbeidsmarkt. Meer een trampoline dan een vangnet. In een vangnet blijf je liggen. Een trampoline, daar veer je uit omhoog en misschien nog wel hoger. Dat vind ik zelf een heel mooi beeld.”

Inderdaad, een mooi beeld. Er is alleen één maar: een trampoline laat je weliswaar omhoog stuiteren, maar daarna val je altijd weer naar beneden.

01 | 08 | 2016 | door: Erik van der Spek

Weidegangadvies

Koeien grazen ’s zomers in de wei en in de winter staan ze op stal; zo eenvoudig had ik me dat voorgesteld. Maar niets is minder waar: koeien die na een aantal jaren op stal weer de wei in mogen (of moeten), worden begeleid door een weidecoach. De overgang van stal naar wei wordt bovendien gefaciliteerd door een weidegangadvies. Het jargon van de veranderingsconsultants blijkt ook al doorgedrongen tot het boerenbedrijf: “En de koeien moeten allemaal weer leren het gras te plukken met de tong.”

Ik ben mijn onschuld verloren sinds ik mij heb verdiept in de wereld van het weidegangadvies. In de Volkskrant lees ik dat veel koeien het prima naar hun zin hebben in hun klimaatgecontroleerde stallen. De verwende dames willen niet meer naar buiten als het te warm of te koud is, of als ze het gras niet lekker vinden. Maar koeien in de wei is nationaal beleid en daarom heeft Den Haag er iets op bedacht: “Om hen te helpen is de ‘weidecoach’ bedacht: een speciaal bijgeschoolde landbouwadviseur die boeren ‘weidegangadvies’ kan geven.” Het ministerie van Economische Zaken heeft een miljoen euro beschikbaar gesteld.

FarmWalk
Ik surf natuurlijk direct naar de Stichting Weidegang (met als motto ‘laat er geen gras over groeien’). Daar lees ik dat de WeideCoaches niet alleen weidegangadvies geven, maar ook “groepen van melkveehouders trainen in de FarmWalk®. De WeideCoaches zijn speciaal hiertoe opgeleid in de Praktijkschool voor Beweiding.” Wie zou denken dat een FarmWalk gewoon een wandeling over de boerderij is, heeft het mis: “De FarmWalk® is een managementtool voor weidegang met als basis een wekelijkse ronde door het eigen gras.” Want: “Dat levert meer grip op het graslandmanagement en het beste beweidingsresultaat.”

Jargon
Uit dit ambtelijke proza blijkt al meteen dat met de coaching ook het jargon zijn intrede doet op de boerderij. Op de site van Stichting Weidegang staat dat “veehouders worden getraind in het gebruik van praktische hulpmiddelen zoals de graslandgebruikskalender, de graslandhoogtemeter en een bemestings- en beweidingsplan.” Een concurrent, Opdegrashoogte, schrijft op de eigen site: “Hierin worden facetten als inschaarhoogte, grasopname door de koe, graassystemen en wekelijkse grasgroeidata meegenomen tot advies.”

Kamervragen
De inzet van weidecoaches heeft zelfs al geleid tot Kamervragen. Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren (wie anders) vraagt de minister: “Kunt u uiteenzetten op welke wijze u de kwaliteit van de adviezen van deze beweidingsadviseurs beoordeelt, of evaluaties van de kwaliteit en de effecten van de adviezen plaatsvinden en welke resultaten dat tot op heden heeft opgeleverd?” Heel goed: ze had er nog bij kunnen vragen: “Bent u ervan op de hoogte dat deze adviseurs niet alleen het landschap, maar ook de taal vervuilen?”

27 | 06 | 2016 | door: Erik van der Spek

Naar welk wapen noem jij je kind?

Wat hebben Pistol, Browning, Wesson, Kimber en Beretta met elkaar gemeen? Het zijn allemaal baby’s die de naam van een geweer of pistool hebben gekregen. Ondanks de vele schietincidenten in de Verenigde Staten blijft de verkoop van wapens stijgen. Die stijging zie je terug in de naamgeving: vorig jaar kregen alleen al 1500 baby’s in de VS de naam Gunner. De verklaring: ouders denken dat een stoere naam hun kind een voorsprong geeft in een gevaarlijke wereld.

Kinderen die naar auto’s worden genoemd, zijn we al een aantal jaren gewend. Veel jongens heten Lincoln of Bentley, voor meisjes zijn Mercedes (dat is natuurlijk van oorsprong een meisjesnaam) en Lexus populair. Maar dat steeds meer kinderen naar wapens worden genoemd, was nieuw voor mij. Toch is dat een duidelijke trend, zo blijkt uit een artikel in de Independent. Gunner (schutter) is al doorgedrongen tot de top-200 van jongensnamen. En de naam Cannon (kanon) staat inmiddels in de top-100.

Messen en speren
Je kind naar een geweer noemen blijkt onderdeel te zijn van een bredere trend. Ook steek- en slagwapens zijn populair. We kennen Lance (speer) natuurlijk van Lance Armstrong, maar ook Mace (knuppel), Blade (mes, lemmet), Saw (zaag) en Dagger (dolk) worden gebruikt als jongensnaam. Sabre (sabel) is in opkomst bij meisjes. De verdeling over de seksen is sowieso grappig: 900 jongens werden vorig jaar Archer (boogschutter) genoemd, veel meisjes kregen de naam Arrow (pijl). En ook andere vormen van geweld worden vernoemd: elf kinderen kregen de naam Arson (brandstichting).

Magische naamgeving
Volgens een Amerikaanse website over babynamen worden er steeds meer kinderen genoemd naar geweren, messen, historische krijgers, bloeddorstige godinnen (Kali) en macho filmsterren. Het lijkt erop dat ouders in duistere tijden zoeken naar intimiderende namen. Daarin klinkt de tijdloze magie door die ook vroeger een rol speelde in naamgeving: de eigenschappen van de naam worden overgebracht op de drager. Met iemand die Browning of Beretta heet valt niet te spotten, dat is de boodschap.

Tot slot: uit het onderzoek blijkt ook dat negen kinderen in 2015 Chaos werden genoemd. Dat snap ik dan weer wel.

09 | 06 | 2016 | door: Erik van der Spek

Praten met dieren

Op 10 juni begint het EK in Frankrijk. Dat betekent weer overuren voor de voorspellers van de uitslagen. Onder hen een groeiend aantal dieren: Paul de octopus is inmiddels ter ziele, maar hij heeft een groot aantal opvolgers, waaronder een schildpad, een olifant en een panda. Maar misschien schuilt in uw huisdier ook wel een voetbalkenner? Hij kijkt per slot van rekening genoeg tv…

Om te weten of uw huisdier verstand heeft van voetbal, moet u natuurlijk wel met hem (of haar) kunnen praten. Geen probleem: in de afgelopen jaren is er een wildgroei ontstaan aan cursussen op dit gebied. Zo biedt Frederike (www.frederike.eu) de cursus Intuïtief Communiceren met Dieren aan: “Tijdens deze cursus leer je contact te leggen met mijn dieren, met je eigen dieren, met de dieren van de medecursisten en met overleden dieren.” Naast onderwerpen als ‘Wat onze huisdieren ons kunnen leren’ staan er ook meer exotische thema’s op de agenda, zoals ‘Je huisdier als geestendetector’ en ‘Communiceren met dieren bij hooggevoeligheid’.

Dierentolk
Praten met dieren beperkt zich niet tot honden en katten. Ook konijnen doen het goed, aldus www.dierentrainer.nl: “Vooral de oren van uw konijn vertellen u veel. Een konijn met rechtopstaande oren is dan ook iets makkelijker te lezen dan een hangoorkonijn.” Maar ‘dierentolk’ Irene gaat nog verder: zijn kan praten met ieder dier, lezen we op www.petspace.nl. “Van paard tot hamster en van vlieg tot leeuw.” Zijn er dan geen dieren die niet willen praten? “Of een dier makkelijk communiceert ligt aan het dier”, legt Irene uit. “En er moet een klik zijn. Ik zeg altijd: alles mag, maar je hoeft niets. Ik stel me open, kijk maar of je me kunt vertrouwen. Meestal werkt dat heel goed.”

Pratende halsband
Maar misschien zijn deze cursussen al achterhaald; inmiddels zijn er digitale ontwikkelingen die de dierentolk overbodig maken. Zo heeft Google ‘Translate for Animals’ gelanceerd, een app waarin bedreigde diersoorten met ons kunnen praten. Heel innovatief is ook de zogenoemde Catterbox (http://catterbox.com/), ‘The world’s first talking cat collar’. Deze halsband vertaalt het gemiauw van uw kat direct in duidelijke vragen en instructies, zoals ‘Ik heb honger’, of ‘Maak de deur open’.

Voorspellingen
Hoe zit het met die voorspellingen? Tijdens het laatste WK hadden we bijvoorbeeld in Brazilië de zeeschildpad Big Head, die correct voorspelde dat Brazilië van Kroatië zou winnen. China maakt gebruik van een panda, Ying Mei, die de winnaar aanwijst door uit een voedselbak te eten waarbij de vlag van het winnende land hangt (inmiddels mag dat niet meer). Ook de Duitse Nelly, een olifant, heeft een goede trackrecord. Het bijzonder daarbij is Nelly écht voetbalt en de bal in het doel van het verliezende land trapt.

En uw huisdier? Misschien is het maar het beste om bij uw pogingen tot communicatie het volgende aforisme van Nan Porter in uw achterhoofd te houden: “If cats could talk, they wouldn’t”.

 

01 | 06 | 2016 | door: Erik van der Spek

Modewoorden als koersverdubbelaar

Reclamemakers en tekstschrijvers wisten het al, maar onderzoekers hebben het nu bevestigd: modieus taalgebruik is geld waard. Heel concreet: modewoorden kunnen de beurswaarde van een bedrijf beïnvloeden. Vrij baan voor gebakken lucht?

Modewoorden kunnen een positief effect hebben op de beurskoers van een bedrijf, zo blijkt uit een onderzoek van de Rotterdam School of Management aan de Erasmus Universiteit (Volkskrant 31 mei).  De onderzoekers gingen na in welke mate modewoorden gebruikt werden in artikelen in de Wall Street Journal over beursgenoteerde bedrijven. Vervolgens gingen ze na hoe analisten de koers van deze bedrijven inschatten en hoe deze koersen zich daadwerkelijk ontwikkelden. Wat bleek? De koers van bedrijven die relatief veel modewoorden gebruikten, werd systematisch overschat door de analisten. “Hoe meer hippe woorden werden gebruikt en hoe hipper die woorden waren, hoe vaker sprake was van overschatting door analisten”, aldus Patrick Reinmoeller, een van de onderzoekers.

Gedateerd
De onderzoekers richten zich op modewoorden uit de periode 1992-2008. De top-vijf bestaat uit de termen e-commerce, outsourcing, just-in-time, lean management en customer relationship management. Dat laat al meteen zien hoe snel de wereld verandert; begrippen als ‘just-in-time’ of ‘lean management’ doen al net zo gedateerd aan als een oranje Tomado-rekje. ‘Ach ja, dat had je toen’, is de eerste gedachte die bij je opkomt.

Internet en bedrijfsvoering
Wat zijn de modewoorden die nu de koersen bepalen? We kijken naar de ‘trending buzzwords for global English’ die de Language Monitor bijhoudt. Daarin vinden we natuurlijk termen die de ontwikkeling van internet reflecteren, zoals content (op de eerste plaats!), social media, cloud en big data.  Andere modewoorden hebben betrekking op een eigentijdse bedrijfsvoering, zoals added value (toegevoegde waarde, wie wil dat niet?), transparantie en synergie. Begrippen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals duurzaamheid en verantwoordelijkheid, doen het ook goed.

Out-of-the-box
Deze termen zijn allemaal nog redelijk standaard. Met welke woorden verdubbel je de koers? Dan moet je komen met out-of-the-box-oplossingen of een nieuwe technologie een game changer noemen. Zo’n game changer kun je teweeg brengen met behulp van disruptive technology, zeg maar een oplossing, product, dienst of technologie die de markt op losse schroeven zet, zoals Spotify voor de muziekindustrie heeft gedaan. Verder is het goed om met gulle hand het bijvoeglijk naamwoord robuust door je teksten te strooien: een robuuste oplossing, robuuste managementstrategieën. En die game changers en robuuste oplossingen worden ontwikkeld door goeroes, hoewel wizards of ninja’s nóg hipper zijn.

Meer is niet beter
Maar er zit een addertje onder het gras. Meer is niet beter en te veel modewoorden werken averechts, vonden de onderzoekers. Bedrijven die te veel managementmodes volgden, werden juist ondergewaardeerd door analisten. Een bedrijf dat op te veel verschillende manieren innovatief wil zijn, schept volgens de onderzoekers juist verwarring.  Net als de koersverdubbelaar kan modieus taalgebruik zijn eigen graf graven.

23 | 05 | 2016 | door: Erik van der Spek

De gapende kenniskloof

“Je kunt alles aan iedereen uitleggen”, zegt Ionica Smeets, de kersverse hoogleraar wetenschapscommunicatie in haar oratie. Maar in dezelfde oratie stelt ze: “Het is makkelijk mensen te overschatten.” Die twee eenvoudige zinnetjes geven nu net het spanningsveld aan – niet alleen van wetenschapscommunicatie, maar van alle communicatie waarbij sprake is van een kenniskloof.

Allereerst: het is fantastisch dat de Universiteit Leiden naast een hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media (Jaap de Jong) nu ook een hoogleraar Wetenschapscommunicatie heeft aangesteld. Dat onderstreept het maatschappelijk belang van communicatie en journalistiek en laat zien dat het vak volwassen is geworden. De keuze voor Ionica Smeets, bekend geworden als ‘wiskundemeisje’, is ook een goede. Smeets laat elke week (‘Ionica ziet een getal’) in de Volkskrant zien dat het niet alleen mogelijk is om complexe wiskundige problemen op een begrijpelijke manier uit te leggen, maar dat die uitleg ook nog leuk kan zijn.

Kennisniveau
Smeets geeft aan dat het soms nodig is dat mensen wetenschap begrijpen. Dat is bijvoorbeeld handig als ze in de krant lezen over een nieuwe behandeling tegen kanker of over de voor- en nadelen van genetisch gemodificeerd voedsel. Wetenschappers en wetenschapsjournalisten doen dan ook veel moeite om nieuwe ontwikkelingen van een kader te voorzien. Maar Smeets geeft aan dat ze daarbij toch vaak hun doel voorbij schieten. Dat komt omdat het zo makkelijk is om het kennisniveau van je publiek te overschatten. Je vergeet dat een term die je zelf dagelijks gebruikt, nieuw kan zijn voor je publiek. Milieuactivisten gebruiken zonder blikken of blozen de term ecologische voetafdruk, maar ik schat dat de helft van de Nederlandse bevolking niet weet wat dat is. En Smeets geeft aan dat zelfs een eenvoudige term als diarree tot verwarring kan leiden: veel patiënten blijken diarree te interpreteren als ‘veel ontlasting in korte tijd’, maar artsen gebruiken het woord alleen voor ‘dunne ontlasting’.

Belastingen en verzekeringen
De problemen die Smeets signaleert bij wetenschapscommunicatie, strekken zich ook uit tot andere terreinen waar een kenniskloof bestaat: denk aan communicatie over belastingen of verzekeringen. Uw belastingadviseur vertelt u dat uw autokosten aftrekbaar zijn in box 1 en uw verzekeringsadviseur waarschuwt u voor het langlevenrisico. Medici, juristen, architecten, politici: iedereen is geneigd te vergeten wat zijn eigen vaktaal is (en hoe weinig andere mensen daarvan begrijpen). Dat geldt ook overigens ook voor ons eigen (communicatie)vak. Een voorbeeld: we gaven onlangs een cursus aan medewerkers van een verzekeringsbedrijf om ze helder te leren schrijven. Eén van de instructies was: gebruik zo min mogelijk jargon. In het evaluatieformulier schreef een van de deelnemers: dat geldt ook voor jullie!  En inderdaad, wij gebruiken soms te gemakkelijk termen als lijdende vorm en naamwoordstijl. Voor ons dagelijkse kost, maar sommige deelnemers horen die termen voor het eerst.

Feiten en verhalen
Smeets pleit ervoor om meer verhalen te gebruiken om wetenschappelijke kennis over te brengen aan een groot publiek. Het probleem is dat wetenschappers de voorkeur geven aan feiten, aan onderzoeksresultaten die ze kunnen verantwoorden. Maar diezelfde feiten staan vaak nogal ver van hun lezers af; ze kunnen ze niet relateren aan hun eigen leven. Smeets noemt als voorbeeld de uitspraak “Antibiotica-resistentie kost wereldwijd jaarlijks 700.000 levens en dat kunnen er in de toekomst tien miljoen worden.” Dramatisch genoeg, zou je zeggen, maar in een onderzoek gaven de deelnemers aan die al die nullen een beetje belachelijk klonken. Een herkenbaar verhaal over één slachtoffer van antibiotica-resistentie zou effectiever kunnen zijn.

Sneeuw
Maar ook aan dit advies zit een keerzijde: verhalen zonder feiten kunnen gemakkelijk ontsporen. Denk aan de vele discussies over de opwarming van de aarde, waarbij de deelnemers zich weinig aan de feiten gelegen laten liggen. Om toch ook maar met een verhaal af te sluiten: afgelopen winter kwam een lid van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden de vergadering binnen met een handvol sneeuw, met de woorden: “Dit vond ik buiten op de stoep. En dan zeggen ze nog dat het klimaat opwarmt!” Hij werd op een luid applaus onthaald.

18 | 03 | 2016 | door: Erik van der Spek

De drogredenen van Donald Trump

Een straatgevecht: dat is nog een eufemisme om de debatten tussen Trump en zijn tegenstanders te omschrijven. Trump laat alle lessen uit de retorica voor wat ze zijn, behalve één: zorg dat je de aandacht trekt. Zijn uitspraken zijn oneliners, uitstekend citeerbaar en kort genoeg voor Twitter: “Je moeder had hier moeten staan.”

De gereedschapskist voor Trump’s debatten is tot de rand toe gevuld met overdrijvingen, halve waarheden, verdachtmakingen en drogredenen. Hij is zelfs in staat om in één alinea twee tegengestelde punten te verdedigen. Zo ging hij tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Columbus, Ohio in op waterboarding: “Of ik voor waterboarding ben? Reken maar van yes! Meteen. Ik ben méér dan voor. Het werkt.” Hij voegde eraan toe: “En als het niet werkt, dan toch toepassen, want ze verdienen het voor wat zij ons aandoen.”

Poep en pies

Veel discussies tussen Trump en zijn tegenstanders zijn van een niveau dat ik sinds mijn middelbare schooltijd niet meer gehoord. De relatie tussen de omvang van Trump’s handen en zijn geslachtsdeel is nog maar het topje van een grote en uitdijende ijsberg. ‘Te smerig voor woorden’, noemde Trump een actie van Hillary Clinton, die tijdens een tv-debat in een reclameblok het toilet bezocht. Daardoor was ze te laat voor het vervolg van de uitzending. “Ik weet waar ze naartoe ging, het is smerig, ik wil er niet over praten”, zei Trump.

De man, niet de bal

Trump’s favoriete drogreden is het argumentum ad hominem, beter bekend als ‘op de man spelen’. Trump scheldt zijn tegenstanders graag uit. Hij noemt ze een bimbo (Megyn Kelly) of een loser (George Will, Charles Krauthammer). Hij verwijt Jeb Bush ‘low energy’, maar Ben Carson is nog erger: “He makes Jeb Bush look like the energizer bunny.” Hij verwijt zijn tegenstanders dat ze zweten (Rubio). Rick Perry noemt hij dom, maar indirect: Trump verwijt Rick Perry een bril te dragen zodat mensen zullen denken dat hij slim is.

Guilt by association

Een variant van het ad hominem-argument is wat de Engelsen ‘guilt by association’ noemen: als je omgeving (je vrienden, familie, collega’s) iets te verwijten valt, zul je zelf ook wel niet deugen. “De torens van het WTC kwamen naar beneden, toen jouw broer George W. Bush president was”, zei Trump tegen Jeb Bush. Ook de vader van Jeb Bush en zijn moeder, de voormalige First Lady Barbara Bush, moesten het ontgelden. Jeb Bush noemde zijn moeder “de sterkste vrouw die ik ken”. Trump reageerde daarop met: “Misschien had zij moeten meedoen aan de verkiezingen.”

Onjuiste analogie

Een andere veelgebruikte drogreden is de onjuiste analogie. “Als Hillary haar eigen echtgenoot niet tevreden kan stellen, hoe kan ze dan Amerika tevreden stellen?” (“If Hillary can’t satisfy her husband, what makes her think she can satisfy America?”). Hier combineert Trump een persoonlijke aanval (eigenlijk eerder op Bill dan op Hillary) met een merkwaardige analogie tussen het regeren van een land en een succesvol huwelijk. Het woord satisfy wordt hier, ten overvloede, in twee betekenissen gebruikt (een voorbeeld van een ambiguïteitsdrogreden). Nog een voorbeeld, over zijn Republikeinse tegenkandidaten: “De andere kandidaten (…) wisten niet dat de airconditioning niet werkte. Ze zweetten als otters. Hoe moeten ze ooit IS verslaan?” Wat zweten met de strijd tegen IS heeft te maken weet niemand, maar de verdachtmaking is gelanceerd.

Hyperbool

Als het argumentum ad hominem Trump’s favoriete drogreden is, is de hyperbool zijn favoriete stijlmiddel. Zoals gebruikelijk is Hillary Clinton zijn favoriet slachtoffer: “Hillary Clinton was de slechtste minister van Buitenlandse Zaken in de geschiedenis van de VS. Er is nog nooit iemand geweest die zo slecht was. De wereld om ons heen is opgeblazen. We hebben alles verloren, inclusief al onze relaties. Er is niet één goed ding dat uit haar beleid is voortgekomen.”

Op Blueprintlsat.com wordt een Republican Fallacy Index bij gehouden (een soort toptien van drogredenen). En wilt u zelf ook een keertje door Trump beledigd worden? Dat kan! Maak dan gebruik van de Donald Trump Insult Generator.

28 | 02 | 2016 | door: Ave Luth

Erik van der Spek aan de slag als lector bij de Universiteit van Utrecht

Erik van der Spek, onze manager teksten en communicatieadvies, heeft er een nieuwe functie bij. Hij is vanaf begin dit jaar lector aan de Universiteit van Utrecht bij de masteropleiding Communicatie en Organisatie. Deze opleiding investeert de laatste tijd veel in studenten op weg naar de arbeidsmarkt. Zo is er sinds september 2015 een afdeling Career Services, die studenten ondersteunt bij het vinden van een baan. De aanstelling van Erik van der Spek past goed binnen die nieuwe ontwikkeling. Hij moet ervoor zorgen dat er meer praktijk in de opleiding komt. Hoe gaat hij dat doen?

Brug tussen onderzoek en praktijk
Erik hoopt een brug te kunnen slaan tussen de academische wereld en het communicatiewerkveld door workshops te verzorgen met kennis vanuit zijn eigen werk. Hendrikx Van der Spek geeft advies, verbetert teksten en geeft trainingen. Dat zijn allemaal vaardigheden die heel relevant zijn voor studenten van de opleiding Communicatie en Organisatie die straks een baan moeten zoeken.

Van adviseren tot creatief schrijven
Erik zal elke maand een workshop geven en begint met een workshop Adviseren. In deze praktisch ingerichte workshop laat hij de studenten een rollenspel spelen, waarbij ze adviesgesprekken moeten voeren alsof ze echt klant van elkaar zijn. Workshops die voor de komende maanden verder op de planning staan zijn onder andere Creatief Schrijven, Schrijven voor het Beeldscherm en een workshop waarin de studenten een communicatieplan leren maken. Dat is een vaardigheid die ze nodig zullen hebben in hun toekomstige baan, maar die nu nog geen logische plaats binnen het programma van de opleiding heeft.

Een academische en tegelijk praktische opleiding
De master Communicatie en Organisatie is sterk op onderzoek gericht. De meeste vakken hebben een academische oriëntatie en de studenten doen veel onderzoek. Erik gaat zich vooral richten op de toepassing van de theorie. Hoewel het een academische master blijft en geen beroepsopleiding, komt er meer ruimte voor de praktijk. De workshops staan nu nog naast het programma, maar Erik heeft de hoop dat ze straks een natuurlijke plaats krijgen in het curriculum en dat de opleiding als geheel praktischer wordt. Zo krijgen studenten een realistischer beeld van de beroepspraktijk en kunnen ze goed voorbereid aan de slag na hun afstuderen.

In deze video legt Erik zelf uit wat hij precies gaat doen bij de Universiteit van Utrecht.

03 | 02 | 2016 | door: Erik van der Spek

Taalproblemen aan de universiteit

Veel studenten in het hoger onderwijs (hogescholen en universiteiten) kampen met taalproblemen. Ze hebben vooral moeite met langere teksten en ze vinden het lastig om structuur en samenhang aan te brengen. Hun docenten klagen over taal- en spelfouten. Het voorgezet onderwijs krijgt vaak de schuld: die zouden geslaagden afleveren met een taalbeheersing die onder de maat is. Tot zover de klachten. Maar wat kan het hoger onderwijs er zelf aan doen?

Over deze vraag heeft Annemijn Pasman zich gebogen, masterstudente Communicatie en organisatie en tot 1 februari stagiaire bij Hendrikx Van der Spek. Zij onderzocht de manier waarop universiteiten en hogescholen de taalvaardigheid van hun studenten ondersteunen en in hoeverre ze daarbij gebruik maken van e-learning. Het ging haar niet om de talenopleidingen: bij die opleidingen vormt taalvaardigheid een integraal deel van het curriculum. Zij keek naar opleidingen als rechten en psychologie, waar taal wel belangrijk is, maar niet echt deel van de opleiding. Haar onderzoek resulteerde in het rapport Taalvaardigheidsondersteuning in het hoger onderwijs.

Taal als instrument
Het is eigenlijk wel bijzonder dat opleidingen als rechten en psychologie zo weinig structurele aandacht besteden aan taalgebruik en taalbeheersing. Vaak bevatten deze opleidingen wel een vak als Academische vaardigheden, waarin studenten ook leren een onderzoeksverslag te schrijven, maar dat is het dan ook. En dat terwijl in beide opleidingen de taal een wezenlijk instrument van de toekomstige professional is. Een jurist is een groot deel van zijn tijd bezig met interpretatie, etikettering en normering: bij uitstek talige exercities. En een psycholoog moet zich vaak op basis van gesprekken een indruk vormen van de geestestoestand van zijn cliënten, met taal als voornaamste instrument.

Taalvaardigheidsondersteuning en e-learning
De taalvaardigheidsondersteuning staat bij veel opleidingen en instellingen nog in de kinderschoenen, blijkt uit het onderzoek van Annemijn. De meeste instellingen doen nog niet zo veel aan taalvaardigheidsondersteuning. Bovendien maken ze maar weinig gebruik van e-learning. Ze kennen geen e‐learningmodules die aan hun behoefte voldoen of ze weten niet hoe e-learning hen kan helpen. De verantwoordelijkheid voor verbetering van de taalvaardigheid ligt voor een groot deel bij de studenten. Voor grammatica en spelling is er (bij hogescholen) ondersteuning te vinden in het e-learningprogramma Hogeschooltaal. Verder sturen docenten studenten soms door naar websites met tips of naar digitale leeromgevingen waar ze ook met oefeningen en video’s aan de slag kunnen.

Versnippering
Eén van de constateringen na lezing van het onderzoeksrapport van Annemijn Pasman is dat veel instellingen bezig zijn het wiel opnieuw uit te vinden. Niet alleen instellingen, maar ook faculteiten en soms zelfs opleidingen ontwikkelen hun eigen taalbeleid en oplossingen. Soms is er samenwerking op facultair niveau, zoals aan de Universiteit Utrecht, maar vaak ontwikkelen opleidingen eigen oplossingen op maat. Dat leidt tot een enorme versnippering van menskracht, tijd en geld. Nergens is sprake van een aanpak van taalvaardigheid die het niveau van de instelling overschrijdt. De instellingen zouden nog veel van elkaar kunnen leren: ‘gluren bij de buren’ zou ook in dit geval wel eens de kortste weg naar succes kunnen zijn.

21 | 01 | 2016 | door: Erik van der Spek

Pijnlijke vertaalfouten

Vertalen is moeilijk, vooral als de brontaal ver verwijderd is van de doeltaal. Het Chinees met zijn vele karakters is berucht. Zowel westerlingen als Chinezen gaan regelmatig de mist in als ze zonder kennis van zaken een passende vertaling zoeken. Nike is het meest recente slachtoffer.

Speciaal voor het Chinees Nieuwjaar, dit jaar op 8 februari, lanceerde Nike een nieuwe serie sneakers. Op de achterkant ervan staan twee populaire tekens: ‘Fa’ (rijk worden) en ‘Fu’ (geluk). Wie wil dat niet? Maar in combinatie betekenen de beide karakters ‘dik worden’, volgens de Hongkongse krant Mingboa. Op zich niet zo gek: rijk en gelukkig = veel eten = dik worden. Maar het is geen boodschap die de gemiddelde Nike-bezitter zal willen uitdragen.

Zwangerschap beëindigen
Gaat het hier om een westers bedrijf dat een product in China wil verkopen, ook andersom gaat het vaak mis. Language lab signaleert dat verpakkingen en producthandleidingen uit China vaak vertaalfouten bevatten. Een aardig voorbeeld is de verpakking van een afslankband (wie kent hem niet) met de tekst: eliminate women pregnancy and make skin smooth. Dus zoiets als ‘beëindigt de zwangerschap en maakt de huid glad’. Ook hier is het verleidelijk om te proberen de gedachtenkronkels te reconstrueren die tot deze vertaling hebben geleid. Het heeft vast iets te maken met de relatie tussen zwangerschap en een dikke buik.

Spirituele karakters
Veel westerse toeristen vinden Chinese karakters er mooi uitzien. Ze worden geassocieerd met oosterse spiritualiteit. Daarom willen veel toeristen een tattoo met een of meer karakters laten zetten. Maar als je niet weet wat een tattoo betekent, kan het slecht aflopen. Op internet doen veel spreuken en pseudo-wijsheden in het Chinees de ronde. Maar wie die gebruikt voor een tattoo, moet oppassen. De Telegraaf bericht over een man die graag in de karakters ’Leven en laten leven’ op zijn arm wilde zetten. Nu moet hij de rest van zijn leven rondlopen met de tekst ’zoetzure kip’. Maar niet naar China op vakantie gaan dus, of in elk geval lange mouwen dragen.

Duurzaam naar de kloten
Ook dichter bij huis kan het fout gaan. Dat maakte prins (toen nog) Willem-Alexander mee tijdens een toespraak in Mexico over duurzame energie. In die toespraak gaf hij aan dat de wereld snel in actie moet komen. Zijn tekstschrijver had er een mooie Mexicaanse waarschuwing in verwerkt: ‘een slapende garnaal wordt meegenomen door het getij’. Maar voor getij gebruikte hij niet het woord corriente, maar chingada, wat in Mexico ‘naar de kloten gaan’ betekent. De voorlichter van dienst vermeldde nog dat prinses Máxima niet verantwoordelijk was voor de vertaling.

09 | 12 | 2015 | door: Erik van der Spek

De dans rond het woord van het jaar

woord van het jaar

Elk jaar zijn er weer verschillende verkiezingen van het woord van het jaar. Onze Taal is het eerste, maar Van Dale biedt de mogelijkheid in zes categorieën te stemmen. Verder hebben nog het lelijkste woord van het jaar (Weg met dat woord!) en het weerwoord van het jaar. Wat valt er af te leiden uit de oogst?

De woorden en de dingen
Allereerst valt op dat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen het woord en het ding dat het benoemt. Zo staat plezierjacht (geen boot, maar de jacht op dieren) hoog in de top-tien van de stomste woorden van 2015. Maar is dat vanwege het woord of omdat tegenstanders tegen de jacht zijn? Hetzelfde geldt voor vluchtelingenhek: tegen het woord is niet zo veel in te brengen, tegen het verschijnsel des te meer. In 2014 was rampvlucht het woord van het jaar (bij Onze Taal): op zich ook geen opvallend woord, maar wel in het perspectief van vlucht MH17.

Negatief en positief
We hebben woorden van het jaar en woorden die we nooit meer willen horen. Maar dezelfde woorden komen in beide lijstjes voor. Zo staan selfie en participatiesamenleving – beide eerder Woord van het jaar – nu in de lijst met de tien stomste woorden. Blijkbaar vervelen modieuze termen ons snel. Het woord selfiedode staat daarentegen weer in de shortlist voor Woord van het jaar (Van Dale): het slaat op mensen die om het leven komen in hun poging een selfie te nemen. Om die reden is het in dierentuinen verboden om een selfie te maken met een tijger of beer (zie #berenselfie of #tijgerselfie).

Samenstellingen
De lijsten bevatten verder veel samenstellingen waarvan de meeste een kort leven beschoren zal zijn. Vluchtelingenhek is er zo een, maar ook welkomstwinkel staat op de lijst. Dat is een initiatief van het Rode Kruis: de welkomstwinkel zamelt kleding in en maakt er pakketten van voor asielzoekers. Ook een poortjesspringer (het gaat hier om de poortjes op NS-stations) klinkt een beetje als een eendagsvlieg.

Weerwoorden
De verkiezing voor het weerwoord van 2015 is nog in volle gang, half december wordt de uitslag verwacht. Eerdere winnaars waren plaknacht (2012), wolkenwak (2013) en knijpzonnetje (2014). Op de lijst voor 2015 staan onder andere kacheldag, borstenwolken, jojo-zomer en formule1-bui. De verkiezing is een initiatief van Meteo Group Weer en Omroep Gelderland.

Groningse woorden
Wat al wel duidelijk is, is het Groningse woord van 2015. De verkiezing hiervoor werd al in maart (!) gehouden (het blijven eigenzinnige types). En nee, er stond geen enkel aardbevingswoord bij. De genomineerde woorden waren rekkertje (elastiekje), mishottjen (mislukken), japperd (deugniet), miesgaster (mispunt) en raif/raive (gereedschap). Mishottje is met 35% (1400 stemmen) gekozen tot
t Schierste Grunneger Woord.

20 | 11 | 2015 | door: Erik van der Spek

Dier zonder naam

In Artis krijgen de dieren sinds deze zomer geen naam meer. De dierentuin vindt dat naamgeving de dieren vermenselijkt en dat is ongewenst. Artis gaat daarmee in tegen een trend: we geven een naam aan alles en iedereen waarmee en met wie we een relatie hebben – tot onze auto toe. What’s in a name?

dier zonder naamTot voor kort konden bezoekers van Artis nog wel eens meedoen met een prijsvraag om een naam te bedenken voor een pasgeboren dier. Maar als het aan directeur Haig Balian ligt, zijn die tijden voorbij. “Het dier een naam geven blokkeert onze educatieve boodschap”, zei hij in Metronieuws: “Mensen gaan zich dan concentreren op die naam, waardoor we geen verhaal meer kunnen vertellen. Daarbij: het zijn geen huisdieren, maar wilde dieren.”

Knuffels en koosnaampjes
Maakt een naam het moeilijk om een verhaal te vertellen? Dat ligt niet voor de hand. Lezers van Junglebook zullen zich Baloe de beer en Kaa de slang levendig herinneren; de namen helpen daarbij. Maar Balian bedoelt waarschijnlijk iets anders: hij wil een ‘educatieve boodschap’ brengen over wilde dieren, en elke identificatie met knuffels en koosnaampjes is dan ongewenst. De vraag dringt zich dan wel op wat die wilde dieren in een dierentuin doen, maar dat is een andere discussie.

We hebben een naam, maar we zeggen niet welke
Het grappige is dat de dieren nog steeds gewoon namen krijgen. De olifanten (alle vier ‘vrouwtjes’ volgens een ouder bericht; mag dat nog wel, of vermenselijken we ze dan teveel?) heten nog steeds Win Thida, Thong Tai, Yindee en Mumba. Alleen worden die namen niet meer gecommuniceerd. Maar: “als iemand daarnaar vraagt, dan mag diegene dat gewoon weten”, zegt Balian. “Maar dat is dan een naam uit het gebied waar het girafje oorspronkelijk vandaan komt en dan kan de verzorger gelijk iets vertellen over het dier.”

Huizen en orkanen met namen
Met deze opmerkelijke actie gaat Artis in tegen de heersende trend. We geven namelijk alles en iedereen een naam. Niet alleen onze kinderen en huisdieren, maar ook onze huizen (Weltevreden), kerktorens (Lange Jan), auto’s (Slopie) en stormen (Sandy). Ook daarover woeden overigens soms felle discussies. Zo was het tot in de jaren ’70 gebruikelijk om orkanen vrouwennamen te geven, maar dat werd seksistisch gevonden. Bovendien bleek, aldus National Geographic dat stormen hierdoor minder serieus werden genomen. Als je toch dakloos moet worden, dan liever door een storm met een vrouwennaam… Inmiddels is gekozen voor een afwisseling van mannen- en vrouwennamen, in alfabetische volgorde. In het Verenigd Koninkrijk en Ierland is een wedstrijd uitgezet: iedereen kan daar een naam indienen onder de hashtag #nameourstorms.

Koekblik
Tot slot de auto. Uit onderzoek van de ANWB blijkt dat meer een kwart van de Nederlanders tegen zijn of haar auto praat; 23% geeft de auto wel eens een aai of schouderklopje. Ook namen horen daar bij: één op de zes automobilisten geeft zijn of haar auto een bijnaam. Onder Alfa-rijders is dat zelfs 46% – vraag niet waarom. De meest voorkomende namen zijn Koekblik, (Race)monster en Gebakje, maar ook Dappere dodo en Pluisje komen voor.

Terug naar de dieren. Huisdieren mogen we van Artis gelukkig nog wel een naam geven. Maar welke? In de lijst van kattennamen staat Poes op één. Op internet is een lijstje te vinden van vijftien namen waarvan de katten zelf meer dan genoeg hebben. Naast Poes zijn dat bijvoorbeeld Minoes, Tijger en Vlekje. U bent gewaarschuwd.

09 | 10 | 2015 | door: Erik van der Spek

Geen nieuwe spelling, wel nieuwe woorden

Op 13 oktober, verschijnt de nieuwe Woordenlijst Nederlandse Taal: het Groene Boekje. Het goede nieuws: de spellingregels zijn niet veranderd. Bovendien bevat het Groene Boekje zo’n 10.000 nieuwe woorden. Wat kunnen we verwachten?

Groene boekjeHet belangrijkste punt is dat de Woordenlijst volledig geactualiseerd is. Het bevat zo’n 10.000 nieuwe woorden. Daarbij is bijzondere aandacht gegeven aan Nederlandse woorden uit Suriname en de Antillen. Een pluspunt is verder dat de Woordenlijst beter is afgestemd op de vragen van taalgebruikers. Vaak opgezochte woorden, zoals rechtdoorzee en faciliteren zijn toegevoegd, eenvoudige woorden zijn weggelaten.

10.000 woorden
Wat zijn die 10.000 nieuwe woorden? Dat weten we pas op 13 oktober, maar we kunnen al wel vast even kijken in de Van Dale Online. Per slot van rekening komen de Van Dale en het Groene Boekje uit dezelfde stal. Van Dale Online ververst de woordenschat voortdurend en brengt daar ook verslag van uit. Daarom kunnen we op basis van die verslagen een voorspelling doen; hieronder neem ik de lijst van 2014 als uitgangspunt. Ik onderscheid vijf categorieën: maatschappelijke thema’s, nieuwe technologie, eendagsvliegen, doorzichtige samenstellingen en nog een restgroep. Daar gaan we!

1. Maatschappelijke thema’s
Veel nieuwe woorden reflecteren maatschappelijke thema’s die volop in de belangstelling staan. Zo leverde Groningen ons de gasbeving. De ouderenzorg – of het gebrek daaraan – komt terug in de pyjamadagen. Daar tegenover staat dat het seniorenmoment, dat kleine moment van vergeetachtigheid, ook al op jongere leeftijd kan optreden. Gelukkig kun je op zulke momenten terecht bij de geheugenpoli. De drugshandel zorgt voor woorden als wietzolder en drugsezel, de koeriers die grote risico’s nemen met kleine hoeveelheden drugs op ongebruikelijke plaatsen. En dankzij de actie tegen zwarte piet staat ook de kleurenpiet inmiddels op de lijst.

2. Nieuwe technologie
Onze woordenschat staat voortdurend voor de uitdaging gelijke tred te houden met ontwikkelingen in de technologie. Daar komen woorden als e-scooter, dronepiloot, virtualrealitybril en videochatten uit voort. Contactloos slaat niet op contactarmoede (zoals vriendloos, niet in de selectie), maar op contactloos betalen. Als de lijst voor 2015 wordt ge-update, zal sjoemelsoftware er ongetwijfeld ook bijkomen.

3. Eendagsvliegen
Veel woorden staan even in de belangstelling en sterven dan een zachte dood. Het valleiorgasme (zonder streepje) werd bekend door het boek Alleen voor vrouwen van Marleen Jansen, maar of het over een jaar nog zal bestaan is de vraag. De lokpuber was populair in 2014 vanwege een wetsvoorstel (er waren ook lokbejaarden), maar lijkt ook geen lang leven beschoren te zijn.

4. Doorzichtige samenstellingen
Dat is de minst interessante deelverzameling. Veel woorden in de lijst zijn direct te herleiden tot de samenstellende delen. Zo is een goedkopestoelenmaatschappij, tsja, een prijsvechter die goedkope tickets aanbiedt. Lotgenotencontact is er ook zo eentje, het enige bijzondere eraan is dat er zoveel lotgenoten (van verschillende pluimage) zijn die contact zoeken. Ik begrijp ook wel dat niet elk gesprek aan de keukentafel een keukentafelgesprek is, maar is dat een reden om het woord op te nemen?

5. Onclassificeerbaar
Dat is de leukste categorie: woorden waarvan je denkt: ‘Huh? Wat is dat?’ Ik had dat bijvoorbeeld bij het woord juichaapje: dat blijkt een vondst te zijn van NOS-correspondent Chris Ostendorf voor overenthousiaste burgers of politici. En wat is een koekwous? Dat vraag ik me niet alleen af, de Zutphense politierechter mr. Van Lookeren Campagne wist het ook niet. Maar hij heeft het wel opgezocht, want hij moest oordelen over een belediging van een dertigjarige Winterswijker. Die had een politieagent ‘vuile koekwous’ genoemd. De rechter kwam erachter dat ‘koekwous’ zoiets als mafketel betekende. “Het hoeft dus niet meteen een belediging te zijn, maar in combinatie met het woord ‘vuile’ is het dat wel”, zei hij. Het leverde – in combinatie met een aantal andere delicten – veertig uur werkstraf op, gecombineerd met een voorwaardelijke celstraf van twee weken, toezicht van de reclassering en een begeleiding door het centrum voor verslavingszorg De Grift. Dus denk twee keer na voordat u het woord koekwous gebruikt.

08 | 10 | 2015 | door: Erik van der Spek

Watertaal

Overstromingen, dijkbreuken en vloedgolven: de artikelen over vluchtelingen en asielzoekers lijken vaak over de Deltawerken te gaan. Maar langzamerhand neemt het bewustzijn toe dat ‘watertaal’ niet neutraal is. Wie vluchtelingen als een overstroming beschrijft, roept daarmee ook het frame van de strijd tegen het water op.

watertaalDe watermetafoor heeft in de vluchtelingendiscussie een lange geschiedenis, maar met de recente toename in aantallen vluchtelingen zie je deze metafoor steeds vaker terug. De tijd dat vluchtelingen binnen sijpelden of druppelden, ligt inmiddels lang achter ons. We worden overspoeld door vluchtelingen, schrijft de Metro: “Treinstation Boedapest overspoeld door vluchtelingen”. De stroom van vluchtelingen is in de laatste weken gegroeid tot een vloedgolf, aldus The Post Online: “Merkel & Hollande en de Vloedgolf van Vluchtelingen”. En de meest krachtige metafoor in dit rijtje is natuurlijk de tsunami van Geert Wilders, meester van de hyperbool.

Zoetwatermatrozen

Tot voor kort was watertaal en onschuldige hobby van zeilers en liefhebbers van de bruine vloot. Erik en Mirjam Smit schreven hierover het boek Watertaal, met op de omslag de tekst “De mooiste watertaal, gebruikt op zoet-, zout-, bad-, binnen- en zeewater, en verklaard voor landrotten, walslurpen, zeeschuimers en zoetwatermatrozen.” Maar inmiddels komen commentatoren tot de conclusie dat watertaal in het vluchtelingendebat minder onschuldig is. Een voorbeeld is Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, die veel gebruik van watertaal signaleert in Britse tabloids. En dan gaat het niet over zoetwatermatrozen, maar over asielzoekers.
Dichter bij huis waarschuwde ook ombudsvrouw Annieke Kranenberg van de Volkskrant tegen watermetaforen. “Lezers voelen zich ongemakkelijk bij een tsunami aan watertaal”, schreef ze afgelopen zaterdag. Ze gaf aan dat watermetaforen niet waardevrij zijn en adviseerde terughoudend te zijn in het gebruik ervan.

Waterframe

Watermetaforen zijn al in 2006 aan de orde gesteld door Baldwin van Gorp in zijn boek Framing Asiel. Het waterframe frame roept allerlei associaties op. Allereerst is water een natuurverschijnsel, iets wat ons overkomt; daarbij denken we niet aan iets wat door menselijk toedoen wordt veroorzaakt. Als het gaat om overstromingen en vloedgolven, komt daar bovendien de associatie van een natuurramp bij. Tegen natuurrampen moet je je wapenen, en doe je in dat geval door dijken te bouwen: denk aan het hek aan de grens tussen Hongarije en Servië. In Nederland, dat mede gevormd is in de strijd tegen het water, hebben dijken, dammen en overstromingen een bijzondere gevoelswaarde. De strijd tegen het water zit, om het zo maar eens te zeggen, in ons DNA. Wie vluchtelingen met een overstroming vergelijkt, maar daar gebruik van.

Drenkelingen

Een extra reden om in deze discussie terughoudend met watermetaforen te zijn, ligt voor de hand: veel vluchtelingen komen hier via de Middellandse Zee. Dit jaar zijn er al zo’n 2500 vluchtelingen verdronken bij hun poging de oversteek te maken. Alleen dat is al een reden om twee keer na te denken voor je een watermetafoor gebruikt: vluchtelingen worden gemakkelijk drenkelingen.

05 | 08 | 2015 | door: Erik van der Spek

Merkeln

We hebben nog vijf maanden te gaan, maar de Duitse verkiezing voor jeugdwoord van het jaar is in volle gang. Op de eerste plaats staat merkeln, met als betekenis ‘Treuzelen en geen beslissing nemen’. Met dank aan Angela Merkel, uiteraard. Wat is merkeln voor woord, en hebben wij ook zoiets?

Eponiemen
Angela Merkel
Merkeln is een voorbeeld van een eponiem, een eigennaam die ingang vindt als zelfstandig naamwoord of als werkwoord. Daar zijn talloze voorbeelden van: denk aan de zeppelin, afgeleid van de eigennaam graaf Ferdinand von Zeppelin. Andere voorbeelden zijn saxofoon, diesel en eenheden als newton of watt. Ewoud Sanders heeft er een groot aantal verzameld in zijn Eponiemenwoordenboek.

Lynchen
Eponiemen die als werkwoord dienst doen, zijn wat minder talrijk. Het woord lynchen is een goed voorbeeld: er zijn zelfs drie mogelijke naamgevers (Charles Lynch (1736–1796), William Lynch (1742–1820) en James Lynch Fitzstephen (15e eeuw). Eigentijdser zijn eponiemen die naar de bedenker van een dieet verwijzen: Sonjabakkeren en Montignaccen.

Ibrahimovic
De voetballer Zlatan Ibrahimovic is ook vereeuwigd in een werkwoord dat van zijn naam is afgeleid: het eponiem ‘zlatanera’ (domineren) is opgenomen in het Zweedse woordenboek. Het woord werd voor het eerst gebruikt in een satirisch programma op de Franse televisie. Daarna werd het zo populair in Zweden dat het ook terug kwam in de top-10 voor het woord van het jaar.

Belubberen
Zijn er meer politici die het tot eponiem hebben gebracht? Jazeker. De bekendste is de Franse politicus Jean-Baptiste Colbert, die voortleeft in het naar hem genoemde jasje. Maar als werkwoord? Er schiet mij één voorbeeld te binnen: Ruud Lubbers. In 1983 bedacht PvdA-policitus Marcel van Dam het woord belubberen, in een verhaal over tuinman Flip die elk jaar een tientje minder in zijn loonzakje vond. Lubbers was not amused, maar belubberen heeft het woordenboek gehaald (met als betekenissen 1) belazeren en 2) onvoldoende informeren).

26 | 06 | 2015 | door: Erik van der Spek

Nieuwe wet moet pensioencommunicatie verbeteren

Op 1 juli 2015 treedt de nieuwe Wet Pensioencommunicatie in werking. Deze wet moet ervoor zorgen dat pensioenfondsen informatie verstrekken die aansluit bij de wensen van de deelnemers. Maar in de praktijk blijkt dat de fondsen en verzekeraars nog een lange weg te gaan hebben. Is een wet wel voldoende?

Heldere en effectieve communicatie over pensioenen is al vele jaren een hoofdpijndossier. Het probleem is even eenvoudig als frustrerend: in de periode dat werknemers nog iets aan hun pensioen kunnen doen zijn ze niet geïnteresseerd; als ze geïnteresseerd raken, is het vaak te laat. Uit een onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit 2012 blijkt dat van alle deelnemers slechts 29% open staat voor informatie over pensioenen. Uit een onderzoek van Brunel Pensioenonderzoek blijkt dat bijna twee derde van de werknemers niet weet hoeveel pensioen hij of zij straks gaat ontvangen. Tegelijkertijd geeft 86% aan wel belang te hechten aan de pensioenopbouw.

Jargon
De 29% die wel geïnteresseerd is, heeft het bovendien niet gemakkelijk. Pensioenen zijn notoir lastig uit te leggen. Dan hoeven we het nog niet eens te hebben over bijzondere begrippen zoals een pseudo-nabestaande of een excedentregeling. Neem een term als franchise – toch een kernbegrip in elke pensioenregeling. De franchise is dat deel van het salaris waarover een werknemer geen pensioen opbouwt, maar voor de meeste werknemers is het onbekend terrein. Voor veel taalgebruikers zijn ook woorden als dekkingsgraad, indexering en middelloonregeling reden om af te haken. Vooral jongeren, laagopgeleiden en allochtone Nederlanders hebben moeite met dit jargon.

Nieuwe wet
Iedereen is het erover eens dat pensioencommunicatie helderder en transparanter moet zijn. De Nederlandsche Bank, net als toezichthouder AFM, de vakbonden en de pensioenfondsen zelf. De nieuwe wet geeft hun een steuntje in de rug. In de toekomst moet duidelijk zijn welke keuzes een werknemer heeft en wat de gevolgen zijn van bijvoorbeeld werkloosheid of overlijden voor het pensioen. Ook het Uniform Pensioenoverzicht, het UPO, moet transparanter worden.

Stip aan de horizon
Maar is het voldoende? Dat is de vraag. Professor Leo Lentz gaf al in 2011 in zijn oratie aan dat wetten op dit gebied vaak tekort schieten. Dat ligt zowel aan de vaagheid van de eisen die in de wet gesteld worden (hoe operationaliseer je transparant bijvoorbeeld?) als aan het toezicht op de uitvoering. Een wet is een ‘stip aan de horizon’, maar of die stip ooit bereikt wordt, hangt af van de pensioenfondsen zelf. Zij moeten de wil tonen om hun communicatie stevig op de schop te nemen. Samenwerking met expert in het veld én met de doelgroepen is daarvoor onontbeerlijk.

18 | 05 | 2015 | door: Erik van der Spek

Vriendelijke woorden scoren hoog

Politici die zich in hun taalgebruik welwillend en sociaal opstellen, worden positiever beoordeeld. Dat blijkt uit een onderzoek naar het woordgebruik van leden van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden. Samenwerking, betrokkenheid en vertrouwen zijn begrippen die hoog scoren. Je vraagt je bijna af waarom politici nog zo veel ruzie maken.

Canadese en Duitse onderzoekers analyseerden een kleine twintig jaar debatten (1996-2014) van het Huis van Afgevaardigden. In totaal ging het om zo’n 124 miljoen woorden. Ze lieten deze woorden door een computer analyseren, waarbij ‘sociale’ woorden gemarkeerd en geteld werden. Vervolgens gingen ze na of veranderingen in het taalgebruik ook effecten hadden op de populariteitsscore van de politici. Dat bleek inderdaad zo te zijn. Vooral woorden als zachtmoedig, betrokken, opleiden, bijdragen, bezorgd, geven, tolereren, vertrouwen en samenwerken hadden een positief effect.

Terror-oehoe

Hoe zou dat in Nederland zijn? Daar heb ik geen systematisch onderzoek over kunnen vinden, maar er zijn wel aanwijzingen die in dezelfde richting wijzen. Zo worden bijvoorbeeld Alexander Pechtold  en Mark Rutte vaak geprezen om zowel hun taalgebruik als hun debattechniek. Hoewel het daarbij vooral om de helderheid van hun betoog gaat, valt daarnaast op dat het allebei sprekers zijn die graag de positieve kant van een zaak benadrukken. Zeker Mark Rutte zoekt eerder de verbinding dan de confrontatie. Maar daar staat tegenover dat Geert Wilders ook vaak in de top-drie van de beste sprekers opduikt, en die vertegenwoordigt toch een andere kant van het spectrum. In zijn taalgebruik zijn conflict en controverse centrale elementen. Als hij iets lelijks over zijn tegenstander kan zeggen (“U bent de terror-oehoe van de Nederlandse politiek”, tegen Pechtold) zal hij dat niet laten.

11 september en MH17

De score van de Amerikaanse politici piekte na de aanvallen op de Twin Towers op 11 september 2001. Dat is in lijn met de verwachtingen: de aanvallen riepen op tot eensgezindheid en het opzij zetten van de partijpolitieke verdeeldheid, en dat kwam terug in hun taalgebruik.  Op een vergelijkbare manier kreeg Frans Timmermans, ook een veel geprezen spreker, veel lof na zijn toespraak voor de VN-Veiligheidsraad na het neerschieten van vlucht MH17. Daarbij ging het overigens niet in de eerste instantie om ‘sociale’ woorden, maar veel meer om de emotionele lading van zijn toespraak. Maar betrokkenheid was ook in zijn geval duidelijk zichtbaar.

Tweedehands auto

Je kunt ook anders naar het taalgebruik van politici kijken. Een curieus voorbeeld dat ik in mijn zoektocht tegenkwam, is een onderzoek onder een kleine 500 autoverkopers met als vraag: “Van welke politicus zou je een tweedehands auto kopen?” Jan Marijnissen (het onderzoek is al weer wat ouder) kwam als beste uit de bus: volgens de verkopers is hij ‘echt en authentiek en spreekt de taal van de kiezer.’ Heel laag scoorde daarentegen de toenmalige minister-president Jan Peter Balkenende. De verkopers vonden hem weliswaar deskundig, gedegen en vriendelijk, maar, aldus één respondent, “hij zou de motorkap opendoen en in sneltreinvaart technische details op gaan sommen.”

07 | 04 | 2015 | door: Erik van der Spek

Vrije-uitloopouders

Buitenspelen, voetballen op straat, zelf naar school fietsen: in sommige delen van de VS zijn dit semi-criminele activiteiten. Een loslopend kind (zonder begeleiding van een volwassene) kan zelfs reden zijn om de politie te laten uitrukken. In reactie hierop is een beweging ontstaan die zich free range parenting noemt, vrije-uitloopouders dus.

Vrije-uitloopkippen zijn in Nederland de missing link tussen de kooikip (of plofkip, maximaal 18 per m2) en de biologische kip (9 per m2). Een vrije-uitloopkip leeft met ‘slechts’ 12 kippen per m2, net zo veel als de scharrelkip, met als extraatje een kleine buitenruimte. Maar in de VS zijn de vrije-uitloopkinderen, free range kids, echte buitenkinderen die mogen voetballen, in bomen klimmen en de buurt verkennen. Kortom, een leven leiden dat we in Nederland gewoon vinden. De andere kinderen, de plofkinderen dus, worden door ‘helicopter parents’ van school naar hobby gebracht. Zij zien de buitenlucht vooral door het raam van een auto.

vrije-uitloopouders

Culture war

In de VS woedt een heuse culture war rondom free range parenting (ook wel slow parenting genoemd). De vrije-uitloopouders benadrukken het belang van zelfstandigheid en vrijheid voor hun kinderen. De helikopterouders noemen hun tegenstanders onverantwoordelijk en stellen dat ze hun kinderen blootstellen aan de gevaren van verkeer en kidnappers. NRC Handelsblad schreef onlangs over twee kinderen van 7 en 10 jaar die door een politieauto werden thuisgebracht. De ouders kregen een aanklacht voor verwaarlozing die nog loopt: in het ergste geval kan hen het ouderlijk gezag ontzegd worden. Hun kinderen lopen met plastic kaartjes, waarop staat dat ze niet verdwaald zijn: ‘I am a free-range kid’.

Hoe zit dat taalkundig? Behalve vrije-uitloopouders en –kinderen duiken er ook andere combinaties op. De Free Range Cats zijn een band, de Free Range Policitician een blog. Dan heb je nog de Free Range Chicks, ‘a unique network of Christian women who share their love, hope, strength and joy with each other’. Ook mooi.

Scharrelondernemers

In Nederland wordt vrije uitloop beperkt tot kippen en eieren, maar wij hebben wel scharrelouders en scharrelkids (een initiatief van het IVN). Ook kwam ik scharrelondernemers tegen, maar dat zijn ondernemers met een bijstandsuitkering. Ze scharrelen zogezegd hun inkomen bij elkaar. Tot mijn vreugde is er wel een plek in Breda waar scharrelondernemers bij elkaar kunnen komen: corporatie de Vrije Uitloop. Chapeau!

28 | 03 | 2015 | door: Erik van der Spek

Stroomstoring, the movie

De moeder van alle stroomstoringen duurde uiteindelijk anderhalf uur. Maar ook zonder netstroom deden internet, Twitter en Facebook het uitstekend. Iedereen communiceerde zich suf, behalve de partijen waarvan je het zou mogen verwachten: “Er staat in de Bijenkorf al drie uur een Belg op de roltrap.”

Als het gaat om stroomonderbrekingen, is Nederland een gezegend land. Wij moeten het gemiddeld 29 minuten per jaar zonder stroom doen. In Frankrijk is dat 53 minuten, in Engeland 70, in de VS 214. In Coimbatore, een Indiase industriestad, valt de stroom 21 uur per dag uit. India heeft dan ook een speciale website waar je de stroomstoringen kunt volgen: http://powercuts.in/. Misschien is het juist die onwennigheid waardoor de ‘Megagrote stroomstoring des doods’ (Geenstijl.nl) er zo inhakte.

Power cut

Liftgrappen

Na een half uur kwamen de eerste grappen al binnen via Twitter. “Er staat in de Bijenkorf al drie uur lang een Belg op de roltrap.” Veel liftgrappen: “Zo. Ik verwacht over negen maanden mijn tweede kind.” Zoals gebruikelijk moest NS het weer ontgelden: “Ik denk dat dit de eerste #storing is waar de #NS zelf niets aan kan doen! Hulde.”

Maar er waren ook de nodige tweets die de ernst van de storing relativeerden: “Al de hele ochtend totaal geen stroomstoring, hebben jullie dat ook?” twitterde een gelukkige buiten de zone vol leedvermaak. En uit het noorden kwam de tweet: “Even geen stroom in het westen en het land is te klein……terwijl Groningen al jaren schudt.”

Stroomstoring

Niet normale net-toestand

Maar wie er ook twitterde, niet netbeheerder Tennet. Wel stuurde het bedrijf vier minuten na het begin van de stroomstoring een ‘operationeel bericht’ waarin aangegeven werd dat een ‘NIET NORMALE NET-TOESTAND’ was afgeroepen. Niet echt informatief. Om 10.19 volgde de eerste tweet: ‘Er wordt hard gewerkt aan herstel’. Fijn om te weten. Crisiscommunicatie lijkt nog terra incognita voor deze netbeheerder.

Uiteindelijk gaat om 10.45 uur het licht weer aan. “Mensen applaudisseren voor een anderhalve eeuw oud fenomeen waar ze enkele minuten zonder moesten doen”, schrijft Geen Stijl. En nog een laatste tweet: “Lezers in Nigeria vragen zich vertwijfeld af waarom de #stroomstoring niet in hun krant stond.”

21 | 03 | 2015 | door: Erik van der Spek

Lijstjes tegen de chaos in je hoofd

Vorige week heeft de Chinese president Xi Jinping zijn ‘Vier allesomvattende principes’ onthuld. Zijn lijstje sluit hij aan bij een rijke traditie: zo had president Deng ‘De Vier Moderniseringen’ en Hu Jintao ‘De Acht Eerbaarheden en de Acht Schaamtes’. Maar de Chinese leiders staan niet alleen in hun liefde voor lijstjes. Wat maakt een genummerd lijstje zo onontkoombaar?

“Ze is een lijstjesjunk: alle to-do’s en wat ze verder niet mag vergeten, schrijft Bonnie op gekleurde Post-it notes die overal in haar huis hangen.” Dit is de opening van een blog met als titel Liefde voor lijstjes. “Een paar jaar geleden nam de chaos in mijn hoofd iets te grote proporties aan”, zegt Bonnie. “Tijd voor maatregelen dus! Ik startte een nieuwe gewoonte: lijstjes maken. Op speciale zelfklevende super sticky notes schreef ik alles, maar dan ook álles op. Daar waren dan de orde, het overzicht en de rust. En van het doorstrepen van een actie, daar word ik toch zo gelukkig van.”

Godsdienstige lijstjes

Bonnie bevindt zich in goed gezelschap. Niet alleen communistische leiders maken graag lijstjes, ze liggen aan elk systeem van enige betekenis ten grondslag. Het christendom heeft niet alleen de tien geboden, maar ook de twaalf apostelen, de zeven heilige sacramenten en de vijf heilige wonden (vier stigmata en een speerwond als bonus). Het boeddhisme kent het achtvoudige pad en de vier nobele waarheden. De islam heeft de vijf zuilen (de geloofsbelijdenis, de rituele gebeden, het geven van aalmoezen, de vasten en de pelgrimstocht naar Mekka). Net als de lijstjes van de Chinese leiders geven ze een bevredigend gevoel van volledigheid. We hebben vier nobele waarheden, vijf zuilen en tien geboden, niet meer en niet minder. Het is natuurlijk fantastisch om een compleet wereldbeeld in vijf of vijf items te kunnen vatten – en het is ook nog gemakkelijk te onthouden.
Lijstje tegen chaos

Boektitels

Ook buiten het sacrale domein zijn genummerde lijstjes populair. We hebben drie koningen, vier windstreken, zeven wereldwonderen en ga zo maar door. Veel boektitels maken gebruik van zo’n lijstje. Bekend is The Seven Habits of Highly Effective People van Steven Covey, maar er zijn er veel meer. Ik vond onder andere De dertien satanische bloedlijnen, De zestien lusten, De negentien treinen naar Sobibor en De twintig gezichten van de schepping. Er bestaat zelfs een website met de URL www.lijstjes.info, met als motto ‘investeer in innerlijke verrijking’. Daar vind je lijstje als ‘Acht tips voor het omgaan met liefdesverdriet’.

The Four Pests

Terug naar China. Binnen de communistische partij was Mao de grondlegger van de lijstjes, wat hij weer ontleende aan de Confucianistische traditie. Zo kent Confucius speciaal voor vrouwen de drie gehoorzaamheden en de vier deugden (een vrouw is als dochter gehoorzaam aan haar vader, als vrouw aan haar man en als weduwe aan haar zonen). Mijn favoriet is de campagne tegen ‘The Four Pests’, de vier ongedierten: vlooien, muggen, ratten en mussen (die het graan zouden opeten). Deze campagne begon in 1958 als een aanloop naar de Grote Sprong Voorwaarts. De complete bevolking werd hierbij gemobiliseerd. Het uitmoorden van mussen leidde tot een ernstige verstoring van de ecologische balans, omdat insecten de oogsten opaten bij gebrek aan natuurlijke vijanden. Allemaal dankzij lijstjes.

14 | 03 | 2015 | door: Erik van der Spek

Heel Holland Kopieert: eenheidsworst voor kuddedieren

Beter goed gejat dan slecht bedacht, moeten ze in Hilversum gedacht hebben. We zijn kuddedieren die het liefst meer van hetzelfde consumeren. De vele varianten van Heel Holland Bakt zijn inmiddels al in de kleinste dorpen doorgedrongen:  Heel Kortenhoef wil De Jantjes zien.

Vorige week schreef ik over de vele varianten op Oranje is het nieuwe zwart, maar er zijn meer titels die de kopieerzucht oproepen. Heel Holland Bakt is de Nederlandse versie van The Great British Bake Off, in Nederland uitgebracht als Heel Engeland Bakt. Het originele programma wordt uitgezonden sinds 2010 en is een enorme kijkcijferhit: de finale van het derde seizoen trok 7Heel Holland kopieert,2 miljoen kijkers. Het was het best bekeken BBC2-programma van de afgelopen zes jaar.

Prakken en stampen

Inmiddels zijn er de nodige tv-programma’s die voortborduren op deze succesformule. Naast Heel Holland Bakt (omroep Max) is er bijvoorbeeld Heel Holland Tuiniert (van de EO), Heel Holland Helpt (een programma op RTL 4 gepresenteerd door Wendy van Dijk) en Heel Holland Prakt (finale van het NTR-radioprogramma Mangiare). De middenstad speelt hier natuurlijk ook op in, bijvoorbeeld met Heel Holland Stampt (een stampotwedstrijd van de Lidl).

Zing, vecht, huil, bid

Maar ook buiten radio en tv doet deze formule het erg goed. Ik moest tijdens het schrijven denken aan het bekende lied van Ramses Shaffy: behalve bewonderen komen vrijwel alle werkwoorden terug. Een selectie:

  • Heel Holland Bidt (weblog met gebeden en korte overdenkingen)
  • Heel Holland Werkt (www.heelhollandwerkt.nl, website over de Participatiewet)
  • Heel Holland Lacht (community op Facebook met ‘leuke’ foto’s)
  • Heel Holland Kleurt (kleurboek)
  • Heel Holland Kwekt (werk mee aan een Donald Duck verhaal)
  • Heel Holland Flirt (slogan van datingsite Hollandflirt.nl)
  • Heel Holland Neukt (www.heelhollandneukt.nl, sekssite)
  • Heel Holland Kakt (artikel in HP De Tijd over darmkanker)

Regionale varianten

Natuurlijk kan de regio niet achterblijven. Zo is Heel Haarlem Holt (www.heelhaarlemholt.nl) een actie voor het Rode Kruis. Klinkt lekker met al die H’s. Verder vond ik onder meer Heel Apeldoorn Bakt, Heel Den Haag schrijft mee en Heel Helmond Zingt. Roden heeft een nationale weckmarkt met als titel Heel Holland Weckt. Heel Holland Huilt waar het eens heeft gelachen.

07 | 03 | 2015 | door: Erik van der Spek

Kopiëren is het nieuwe denken

‘Lachen is het nieuwe neuken’ las ik in een blog over seks na je 50ste (professionele interesse). Dat was de laatste loot aan de rijk gevulde boom van koppen met het stramien ‘X is het nieuwe Y’. Inmiddels zijn er genoeg varianten om een boek mee te vullen. We zijn blijkbaar lui: kopiëren is gemakkelijker dan zelf denken.

De constructie bestaat al een tijdje, maar heeft een enorme boost gekregen door de televisieserie Orange is the new black, beschikbaar via Netflix. De serie is gebaseerd op de gelijknamige autobiografie van Piper Kerman. Net als in dit origineel zie je veel vergelijkingen met kleuren terugkeren. Een paar voorbeelden: wit is het nieuwe zwart (roman van Jennifer Close), wit is het nieuwe bruin (reclame voor sneakers), bruin is het nieuwe wit (bruin als modekleur voor auto’s), groen is het nieuwe zwart (site over duurzaamheid), en ga zo maar door.

Fit is het nieuwe rijk

Inmiddels is de vergelijking al tientallen keren toegepast in onder meer de mode, de makelaardij en de marketing, om maar een paar gebieden te noemen. Er zijn talloze boektitels op gebaseerd zoals Dienstbaar zijn is het nieuwe goud (een marketingboek) of Verbinden is het nieuwe verkopen (boek over verantwoord ondernemen). Maar ook daarbuiten zie je de vergelijking overal terugkeren. Een kleine bloemlezing:

  • Klein is het nieuwe groot (over de kracht van het mkb)
  • Zitten is het nieuwe roken (artikel in Fit Magazine)
  • UX is het nieuwe SEO (UX is User Experience, SEO is Search Engine Optimization)
  • Bovengemiddeld is het nieuwe gemiddelde (over de nieuwe generatie twintigers)
  • Fit is het nieuwe rijk (artikel over gezond leven)
  • Delen is het nieuwe hebben (Tegenlicht over de deeleconomie)
  • Maken is het nieuwe leren (artikel over het beroepsonderwijs)
  • Idealisme is het nieuwe realisme (Marianne Thieme in vn.nl)
  • Delen is het nieuwe vermenigvuldigen (artikel op missethoreca.nl)
  • Krantenpapier is het nieuwe vinyl (artikel over de opkomst van nieuwe media)
  • Blijven is het nieuwe scheiden (artikel over mediation)

Kopiëren en omdraaien

De kopieerzucht gaat vaak nog verder. Neem ‘zitten is het nieuwe roken’, op talloze platforms herhaald. Maar niet alleen zitten is het nieuwe roken, ook vlees eten is het nieuwe roken (artikel over Dierendag) en koken is het nieuwe roken (een hartchirurg in Humo.nl). En zelfs e-mail checken is het nieuwe roken (artikel over mediaverslaving).

Soms zie je ook vergelijkingen die je gemakkelijk kunt omdraaien. Hierboven noemde ik al ‘wit is het nieuwe bruin’ naast ‘bruin is het nieuwe wit’. Een ander voorbeeld is ‘denken is het nieuwe doen’ naast ‘doen is het nieuwe denken’. Het maakt blijkbaar niet uit, als je maar niet te lang hoeft na te denken. Luiheid, dat wordt wel duidelijk, is de nieuwe creativiteit voor de koppensneller.

02 | 03 | 2015 | door: Erik van der Spek

Leve de kleine talen!

De reddingsoperatie van de kleine talen heeft zijn eerste succes geboekt. Na de bezettingsacties van het Bungehuis en het Maagdenhuis wordt er in elk geval weer naar de studenten en de staf geluisterd. Als oud-letterenstudent en ex-kraker kan ik daar alleen maar gelukkig mee zijn. Maar hoe klein zijn die kleine talen eigenlijk en hoe belangrijk zijn ze voor ons? En welk partikel hangt er nou in wiens zinsconstructie?

Van Benjamin Disreali is het citaat ‘Je hebt leugens, grove leugens en statistieken’. Dat geldt ook voor de discussie over de kleine talen. Op z’n minst wordt duidelijk dat klein een relatief begrip is in deze discussie. Als het gaat om het aantal inschrijvingen zijn de aantallen inderdaad niet hoog. In september 2014 begonnen 586 studenten aan een studie als Japans, Italiaans of Romaanse talen. Het jaar daarvoor waren dat er nog 663.

BungehuisMaar je kunt ook anders tegen die cijfers aankijken. Portugees staat wereldwijd op de achtste plaats, met 170 miljoen moedertaalsprekers. Niet zo klein dus. Italiaans komt op zo’n 60 miljoen, Japans op 127 miljoen. Spaans, in sommige tellingen ook een ‘kleine taal’, is de derde taal ter wereld met 300 à 400 miljoen moedertaalsprekers. Aan de meeste universiteiten zijn Spaans, Portugees en Italiaans opgenomen in de bacheloropleiding Romaanse talen. Dan heb je het dus over ruim een half miljard sprekers – meer dan het Engels.

Klein duimpje

Bij de discussie over de kleine talen denk ik ook vaak: Look who’s talking. Nederland heeft in totaal zo’n 23 miljoen moedertaalsprekers (in Nederland, Vlaanderen, Suriname en nog een paar in Zuid-Afrika). Die aantallen verbleken bij sommige van de talen die we nu als ‘kleine talen’ beschouwen. Toch wordt het Nederlands (volgens de site van de Nederlandse Taalunie) aan bijna 175 universiteiten in 40 landen onderwezen. En dat willen we graag zo houden.

Kleine talen ontsluiten veelal grote cultuurgebieden. Vertalers maken de Japanse en Spaanse literatuur toegankelijk voor ons en ondertitelen Italiaanse films. Ze geven ons toegang tot een groot aantal opkomende economieën waar we dolgraag onze goederen naartoe willen exporteren. Deze argumenten zijn zó voor de hand liggend dat ik aarzel om ze hier naar voren te brengen, maar ze zijn wel van cruciaal belang in een discussie over ‘kleine talen’.

Partikel

Niet alles is in cijfers te vangen, en zeker niet het belang van een letterenstudie. Daarvoor laat ik tot slot graag het woord aan classicus Ilja Pfeijffer, die dat in zijn onvolprezen bundel Idyllen (in dit geval Idylle 9) plastisch heeft verwoord:

(…) het was in wezen
een prachtige decadente studie in verval,
romantisch als een drooggevallen waterval,
waar wij als laatste zalmen spartelden en trots
de ademloze zinnen spraken van de rots
die wij ons in de branding waanden. Nauwgezet
studeerden wij op wie van ons met wie naar bed
gegaan was, wilde gaan, dan wel juist niet meer ging
en welk partikel in wiens zinsconstructie hing.

22 | 02 | 2015 | door: Erik van der Spek

ISIS en de tijgermug; waarom sommige metaforen niet werken

Een vijand wordt niet alleen op het slagveld bestreden, maar ook in de media. Dat geldt ook voor de Islamitische Staat in Syrië, meestal aangeduid met de afkortingen IS of ISIS. Publicist Thomas Friedman (bekend van de bestseller De aarde is plat) vergeleek IS met een invasieve exoot. Maar deze metafoor lijkt zich tegen de maker te keren.

Friedman liet zich mogelijk door de afkorting IS verleiden tot een stuk in de New York Times met als titel IS = Invasive Species. Wij noemen dat invasieve exoten: planten of dieren uit andere landen of continenten die geen natuurlijke vijand hebben in het land waar ze heen gaan. Bekende voorbeelden in Nederland zijn de tijgermug, de halsbandparkiet, de nijlgans en de reuzenberenklauw.

Thomas Friedman

Biodiversiteit

Friedman noteert een aantal overeenkomsten tussen IS en de invasieve exoten. Ten eerste floreren exoten op plaatsen waar het natuurlijke ecosysteem is aangepast. Ten tweede veroorzaken ze soms ingrijpende ecologische verstoringen en verminderen ze de biodiversiteit. Dat geldt volgens Friedman ook voor IS: het maatschappelijke ecosysteem in Syrië is aangetast, IS neemt snel in aantal toe en de vermindering van de biodiversiteit correspondeert met, in de woorden van Friedman, “bleak, dark, jihadist, Sunni fundamentalist monocultures.”

Meldpunt

De associatie tussen terroristen en exoten is niet zo gek. De discussie over exoten, ‘buitenlandse dieren’, krijgt ook in Nederland af en toe een xenofoob tintje. “Nieuwe dieren en planten kunnen schade aanbrengen door middel van het inpikken van broedplekken of het opeten van eigen dieren of planten”, staat te lezen in een artikel onder het kopje Eigen plant eerst. Als je op dezelfde manier over migranten zou schrijven, was het land te klein. In België is een meldpunt voor invasieve plant- en diersoorten opgezet: dat doet wel een beetje denken aan het Polenmeldpunt van Geert Wilders.

Reacties

Maar in de pers hield de metafoor van Friedman niet lang stand. Concurrerende columnisten maakten snel duidelijk dat zijn analogie op een aantal punten mank ging. Ze maakten duidelijk dat ISIS niet bestaat uit ‘exoten’, maar dat het juist een beweging is die stevig geworteld is in de regio. Zo is de huidige kalief een Iraqi die afgestudeerd is aan de Universiteit van Bagdad. Een ander punt is, in de visie van Friedman’s tegenstanders, dat ISIS niet de plaatselijke islam verdringt, maar er juist uit voortkomt.

De tegenstanders kunnen zich tot slot niet weerhouden om een aantal metaforen op Friedman zelf los te laten: “Thomas Friedman is een bron van onwetendheid die nooit ophoudt met stromen”, staat in een van de reacties te lezen. “Ik zie uit naar de volgende column van Friedman waarin hij ISIS vergelijkt met een luchtballon, een poedel of een bagel met sesamzaad.”

15 | 02 | 2015 | door: Erik van der Spek

Berigheidsdetectie

Het succes van Boer Zoekt Vrouw doet vermoeden dat elke boer in Nederland inmiddels toch wel twee of drie vrouwen heeft. Maar het is de vraag of de dames wel een goede indruk hebben van het liefdesleven op de boerderij. Gelukkig kunnen ze op internet voldoende tips en hulpmiddelen vinden.

Ik wist al dat een mannetjesvarken een beer heet en een vrouwtje een zeug, dus ik kon me iets voorstellen bij het woord berigheid. Maar het woord berigheidsdetectie was nieuw voor me, net als zijn tegenhanger tochtigheidsdetectie (bij koeien). Sinds ik deze woorden las (op de site van een klant, dat u geen rare ideeën krijgt), is er een wereld voor me open gegaan. Ik wist niet dat het liefdesleven van varkens en koeien zo geavanceerd was: daar kunnen wij nog veel van leren.

berigheidsdetectie

Sensor op het staarthoofd

Neem de Kamar Tochtigheids Detector: “De detector heeft een drukgevoelige sensor met een ingebouwd tijdsmechanisme, ontworpen om geactiveerd te worden bij staande tocht verschijnselen. Gelijmd op het staarthoofd, zal druk van de borst van een andere koe de detector na drie seconden druk van wit naar rood laten kleuren. Dit tijdsmechanisme helpt u echte tocht van valse tocht te onderscheiden.” Voor slechts € 1,60 per stuk lijkt mij dit een onmisbaar hulpmiddel voor de kandidaten van Boer Zoekt Vrouw. Want, zo waarschuwt de bijsluiter: “Een verloren tocht kost u al gauw € 1,50 per dag.”

Rammig, ritsig en ruizig

Als het gaat om het paargedrag op de boerderij is het zaak de terminologie goed in de gaten te houden. Honden zijn loops, katten zijn krols. Een paard (een merrie dan) is hengstig. Koeien zijn tochtig: de stam ‘tocht’ komt van begeerte, net als in hartstocht. Een zeug is dus berig. Schapen kunnen ook tochtig zijn, dat heet ook wel rammig. Een geit wordt ritsig (een haas ook trouwens). Ritsig heeft niets met rits te maken, maar is etymologisch verwant met rillen (van de liefdeskoorts). Wilde dieren zoals herten zijn bronstig. Er zijn ook regionale varianten: bollig is een variant van tochtig, en ruizig is een variant van berig.

Staande tocht

Inmiddels ben ik helemaal thuis in de wereld van de tocht, de staande tocht en het tochtverloop. Staande tocht en tochtverloop doen aan de Elfstedentocht denken, maar dat is misleidend: staande tocht houdt in dat een koe klaar is om gedekt te worden. Maar laten we hiervoor de koe zelf aan het woord laten, in dit geval de koe van IJsboerderij Margje: “Als je de staande tocht hebt, betekent dit dat je je wilt laten bespringen door de stier. Je eicel is klaar voor bevruchting. Helaas heeft mijn boer geen staande tocht kunnen ontdekken. Mijn bespringgevoelens waren nog niet heftig genoeg.”

Laten we hopen dat de boeren uit Boer Zoekt Vrouw de juiste detectiemiddelen in huis hebben. Het zou zonde zijn als er een tocht verloren gaat, of als de boeren in kwestie de bespringgevoelens van hun dames verkeerd inschatten.

08 | 02 | 2015 | door: Erik van der Spek

We weten niet wat het is, maar we hebben wel een naam bedacht

Benoemen is vaak de eerste stap op weg naar kennen. Een nieuwe diersoort, een meteoriet die ons op grote afstand passeert, een onbekende stof: ze krijgen een naam, zodat we weten waarover we praten. Soms is naamgeving ook een manier om het onbekende te bezweren, om betekenis te geven aan verschijnselen die we niet begrijpen. Maar als we dat op ziektes gaan toepassen, ontstaat er verwarring. Op z’n minst.

Er waart een epidemie door Nederland en het is niet Ebola. Een miljoen Nederlanders, zo blijkt uit een artikel in NRC Handelsblad, heeft last van vage kwalen en klachten: hoofdpijn, lage rugpijn, prikkelbare darmen en moeheid. Eén van de drie patiënten in de wachtkamer bij de dokter heeft dit soort klachten – tot wanhoop van patiënt en huisarts. Ondanks allerlei tests, diagnoses en doorverwijzingen hebben de artsen geen idee van de oorzaak.

SOLK

SOLKMaar er is één lichtpuntje: de aandoening heeft in elk geval een naam. We noemen hem SOLK, wat staat voor Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten. Een prachtig acroniem, briljant in zijn nietszeggendheid. We hebben nog steeds geen idee van de oorzaken, maar dat hoef je de patiënt niet te zeggen. Nee: u heeft SOLK. Nu maar hopen dat de verzekering die naam ook erkent, want SOLK-patiënten slikken jaarlijks voor gemiddeld 3.000 euro aan medicijnen. Per persoon.

Is SOLK misschien psychisch? Dat is de verkeerde vraag, aldus psycho-fysioloog Van Houten in NRC Handelsblad: “Het is lichamelijk én psychisch, en ook de omgeving speelt een rol. Het is een bio-psycho-sociaal probleem.” Wat weer een andere manier is om te zeggen: we hebben eigenlijk geen idee.

Acroniemen en ziekte

SOLK bevindt zich in goed gezelschap. Veel ziektes hebben een acroniem als naam. Bekend zijn ALS (Amotryfale Laterale Sclerose), AIDS (Acquired Immune Deficiency Syndrome) en CARA (Chronisch Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen). Bij de meeste ziektes is de afkorting de naam geworden, net als bij HEMA; niemand weet meer waar de individuele letters voor staan. Dat geldt niet voor obscure ziektes zoals het POEMS-syndroom, het CHARGE-syndroom of de aangeboren afwijking PANDAS (ik bespaar u even de volledige namen).

Het is dan ook niet zo gek dat veel mensen denken dat achter elk acroniem een ziekte verscholen zit. Dat bleek onlangs uit een onderzoek onder 2400 Amerikanen naar de kennis van technologiebegrippen: 11 procent denkt dat HTML een seksueel overdraagbare aandoening is. En misschien is dat ook wel zo…

02 | 02 | 2015 | door: Erik van der Spek

Handelingsverlegenheid

Als elke sector het jargon krijgt dat het verdient, is met de onderwijssector droevig gesteld. Uitstroomperspectief, groepsarrangement, prolifereringstransparantie: zelfs voor ingewijden zijn dit soort termen vaak verkeersborden die maar één kant op wijzen: naar de uitgang. Tijd voor een herwaardering van de didactiek van Bordewijk?

Afgelopen week werd herdacht dat het concentratiekamp Auschwitz zeventig jaar geleden is bevrijd. In een begeleidend artikel in NRC Handelsblad stond te lezen hoe moeilijk het is om daar in sommige klassen aandacht aan te geven: “Als de geschiedenis is beland bij het uitroeien van de joden in de Tweede Wereldoorlog, stoppen leerlingen hun vingers in hun oren of ze gaan met de rug naar de leraar zitten.” De leraar doet dan meestal niets: “Handelingsverlegenheid noemen ze dit op het ministerie van Onderwijs.”

Ongemakkelijk

Handelingsverlegenheid. Ik las het woord voor het eerst, maar het roept wel meteen een beeld op. De bokkige leerlingen met hun onwillige ruggen naar de leraar toe, de leraar met zijn handen in het haar. De zweep erover, zou je willen roepen, maar dat mag weer niet van de Onderwijsinspectie. Een ongemakkelijke situatie waarin het gezag van de leraar wordt uitgedaagd, en waarin hij die uitdaging ongedaan probeert te maken door te doen alsof er niets is gebeurd.

Groepsarrangement

Maar los van de situatie past het woord naadloos in het jargon dat sinds de jaren ’80 de onderwijssector in zijn greep heeft. Jargon als leerwerkgemeenschap (‘waarin het gemeenschappelijk eigenaarschap wordt vergroot’), zwaartepuntvorming en groepsarrangement. Ik dacht altijd dat een groepsarrangement iets was dat je bij een restaurant of een pretpark kon reserveren (‘we gaan eerst bowlen met de kinderen en dan willen we graag een patatje’), maar het ligt blijkbaar anders. Ik citeer uit een lijstje met vragen en antwoorden:

Vraag: “Moeten scholen voor leerlingen in het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) ook een ontwikkelperspectief opstellen? Of is een groepsarrangement voldoende?”

Antwoord: “De reden dat niet voor alle lwoo-leerlingen een ontwikkelingsperspectief hoeft te worden opgesteld, is dat de leerlingen een vergelijkbaar uitstroomperspectief en handelingsdeel hebben.“

Natuurlijk, zeg je dan als leraar, ze hebben een vergelijkbaar uitstroomperspectief en handelingsdeel. Dan is het toch logisch dat je geen ontwikkelperspectief hoeft op te stellen.

Universeel gevoel van kwetsbaarheid

Van handelingsdeel terug naar handelingsverlegenheid. Ik dacht dat het een eenmalige samenstelling was, maar even Googelen leert anders. Op internet wordt veel geschreven over handelingsverlegenheid, meestal op een tenenkrommende geitenwollensokkentoon: “Handelingsverlegenheid wegstoppen gaat je in je werk niet helpen. Het is belangrijk te erkennen dat je je wel eens handelingsverlegen voelt. Het is een universeel gevoel van kwetsbaarheid dat om de hoek komt kijken als uitgerekend jouw acties nodig zijn.” Handelingsverlegenheid kun je bestrijden met de SIBA-formule: SIgnaleren, Bespreken (tip: “met iemand die je vertrouwt”) en Aanpakken. Het ministerie van VWS heeft zelfs een spoorboekje uitgegeven ‘dat moet leiden tot minder handelingsverlegenheid bij professionals in de jeugdzorg’.

Bint

Bij al deze weekhartigheid denk ik terug aan Bint, de legendarische leraar uit het gelijknamige meesterwerk van Bordewijk. Hij leidt met harde hand het galgenbroed uit ‘De Hel’, de lastigste klas van de school. Daarbij schuwt hij fysiek noch mentaal geweld, onder het motto: “De school komt er beter uit te voorschijn. Aardbeving is meestal bergvorming, en ons ontzag gaat naar de bergen.” Maar dat zal wel een vorm van handelingsbrutaliteit zijn.

25 | 01 | 2015 | door: Erik van der Spek

Duurzaamheid als tekstvulmiddel

Duurzaamheid is een van de meest misbruikte woorden van de afgelopen jaren. Het woord vervuilt de mission statements van bedrijven, de websites van de overheid en de richtlijnen voor de bouw. Duurzaamheid is een plakwoord in treurige samenstellingen als duurzaamheidslening, duurzaamheidsfabriek en duurzaamheidsambassadeur. En meestal betekent het helemaal niets.

Het afgelopen jaar stond duurzaamheid in de top-10 van de verkiezing Weg met dat woord! van het Nederlandse Instituut voor Lexicologie.  Dat is niet voor niets: het duikt als een joker op in teksten waarin we gemaand worden ons afval te scheiden, ons huis te isoleren en niet te veel vliegreizen te maken. Zie bijvoorbeeld duurzaamdoen: daar krijg je duurzame afvaltips, duurzame energietips, duurzame eettips, duurzame reistips en duurzame kooptips. Dat kan natuurlijk helemaal niet, duurzame afvaltips: de tips zijn niet duurzaam en het afval ook niet, het gaat er om dat je zo min mogelijk afval produceert. Maar zand erover, het is goed bedoeld.

Slimwoner

Duurzame woontips staan ook centraal op de site Slimwoner. Lees en huiver: “Nederland is weer een Slimwoner rijker. Met haar inzending voor de ROCKWOOL Droomzolder-wedstrijd wist Ingrid Kramer uit Warmenhuizen de hoofdprijs – een volledig geïsoleerd zolderdak – in de wacht te slepen. “Ik ben superblij met deze prijs: voortaan kan ik heerlijk genieten van mijn comfortabele zolderkamer! De warmwaterkruik kan de deur uit.”

Zouden de ambtenaren achter Slimwoner echt denken dat er mensen bestaan die zo praten? Dan moeten ze wat vaker buiten komen. Slimwoner krijgt ook de prijs voor het mooiste duurzaamheidsplakwoord: spouwmuurisolatie-inkoopactie. “Met onze collectieve spouwmuurisolatie-inkoopactie wordt isoleren wel heel voordelig!” Opdracht: vertaal deze zin in het Engels, Duits en een derde taal naar keuze.

Samenstellingen

Duurzaamheid is sowieso een heel productief woord als het gaat om samenstellingen. Er is een duurzaamheidsagenda, een duurzaamheids-ambassadeur (Wubbo Ockels, wie anders?) en verschillende gemeenten hebben een duurzaamheidsfonds opgericht. Je kunt een duurzaamheidslening afsluiten om je klimaatdoelstellingen te realiseren (leg dat maar eens uit tijdens een inburgeringscursus). Natuurlijk is er ook een dag van de duurzaamheid (met de onvermijdelijke prinses Laurentien). Greenchoice haakt daar weer op in met de warmetruiendag. Het zou allemaal grappig zijn als je er niet zo moedeloos van werd.

Duurzaam communiceren

Gelukkig kun je ook duurzaam communiceren, aldus het Platform (daar gaat-ie weer) Duurzaam Communiceren:

“Bij echt duurzaam communiceren zijn een beter milieu en betere arbeidsomstandigheden een prettig neveneffect van de aandacht voor mens en maatschappij, in de vorm van duurzame relaties met klanten en medewerkers en een duurzame plaats van de organisatie in de samenleving. Echte duurzame communicatie leidt bovendien tot duurzame winstgevendheid, want alleen dan is een betere toekomst ook een haalbare toekomst.”

Tel eerst het aantal keren dat het woord duurzaam terugkomt, en lees de zin dan nog eens goed. Mooi is dat ‘prettig neveneffect’ in de eerste zin, maar de crux staat in de tweede zin: ‘duurzame winstgevendheid’. Dat is waar het om gaat: de rest is gebakken lucht.

19 | 01 | 2015 | door: Erik van der Spek

Broeihaard, broedplaats of broeinest

In discussies over terrorisme wordt royaal gebruik gemaakt van metaforen. Zo ook bij de verslagen van de politieactie in het Belgische Verviers. Deze stad is, volgens de commentatoren, een broeihaard, een broedplaats of een broeinest van terrorisme. Wat kunnen we daaruit aflezen?

Metaforen in nieuwsberichten zijn meer dan verfraaiingen van de taal. Ze laten vaak zien hoe we naar bepaalde verschijnselen kijken. Wie bijvoorbeeld terrorisme beschrijft als een kankergezwel, geeft al meteen een suggestie voor de oplossing: wegsnijden. Een metafoor is nooit neutraal. Hoe zit dat met broeihaard, broedplaats en broeinest?

Broedplaats

Broeihaard

Het woord broeihaard is vrijwel altijd negatief. Je spreekt over een broeihaard van conflicten, niet over een broeihaard van kansen (hoewel de Gazet van Antwerpen wel schrijft over ‘de stad als een broeihaard van relaties’). De Tempelberg is een broeihaard van conflicten, de industriële pluimveehouderij is een broeihaard van het vogelgriepvirus. Wie broeihaard op Google zoekt vindt 76.000 vindplaatsen, daarvan zijn er 31.000 in combinatie met terrorisme.

Wat is een broeihaard? Volgens het woordenboek is het een plaats waar ‘een opeengetaste stof, zoals hooi, papier e.d. een overmatige hitte ontwikkelt en dreigt in brand te vliegen.’ Een broeihaard is nog geen brandhaard, maar kan dat wel worden. In een brandhaard is de vlam al in de pan geslagen. Verviers is een broeihaard, Syrië is een brandhaard.

Broedplaats

Broeien is etymologisch verwant met broeden, maar toch is een broeihaard iets heel anders dan een broedplaats. Ook broedplaats komt voor in negatieve verbanden, maar veel minder dan broeinest. Mali heet een broedplaats van terrorisme, net als de Kaukasus, Tsjetsjenië en Pakistan. Maar broedplaats komt veel vaker voor in positieve zin. Amsterdam heeft een broedplaatsenbeleid, dat wordt uitgedragen met een Loket Broedplaatsen en een Broedplaatsenoverzicht. Dat zijn geen plaatsen waar stadsvogels broeden, maar locaties als scholen en leegstaande fabrieken die aan kunstenaars ter beschikking worden gesteld.

Ook binnen de bedrijfskunde heb je broedplaatsen, ook vaak Business Incubators genoemd, bedoeld om start-ups een kans te geven. Incubator komt van het Latijnse incubare, dat liggen op en broeden betekent. Dat broeden doet weer aan kippen denken, maar de oorspronkelijke betekenis van incubare was ‘het slapen in een tempel in de hoop op orakeldromen…’ Daar zit al meteen het overdrachtelijke broeden op in dat wij ook gebruiken in ‘Jij zit ergens op te broeden’.

Broeinest

Ook broeinest wordt gebruikt in de betekenis van broedplaats, kweekplaats dus. Broeinest Eindhoven (www.broeinest.nl) adverteert met ‘Zevenhonderd meter gratis flexwerkplekken’. Maar volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands werden broeinest en broeynest al halverwege de zeventiende eeuw gebruikt in de betekenis ‘kweekplaats voor het kwaad’. Het Woordenboek der Nederlandse Taal omschrijft het begrip als volgt: “In figuurlijke toepassing op plaatsen, waar ziekten, zonden of gebreken worden gekweekt, of waar in ’t algemeen allerlei kwaad bedreven of verzonnen wordt.”

De gekozen metaforen zijn dus niet neutraal, bij twee van de drie is de negatieve bijklank een belangrijke reden voor het gebruik ervan. Het is een lange weg van orakeldromen tot terroristische aanslagen. Maar in een ‘kweekplaats van het kwaad’ zijn de eieren snel gebroken.

12 | 01 | 2015 | door: Erik van der Spek

Orwell en de onbegrijpelijke overheid: de newspeak van de zorgsector

Mantelzorgerszorg, besparingsverlies, vraagverheldering… de overheid draagt niet alleen zorgtaken over naar de gemeenten, maar ook taal. De overdracht gaat gepaard met een enorme hoeveelheid bureaucratie en jargon, vaak verpakt in verhullende metaforen en eufemismen. Orwell zou zich – alweer – in zijn graf omdraaien.

Wat is populatiebekostiging? Wat houdt het ongelijkheidsbeginsel in? En hoe zou het transitievolgsysteem werken? Dat zijn drie voorbeelden van de zogenoemde ‘transitietaal’; taal die de overdracht van zorgtaken naar de gemeenten in goede banen moet leiden. Ze zorgen ervoor dat alleen nog speciaal opgeleide deskundigen iets begrijpen van nut en noodzaak van deze complexe operatie. Het Instituut voor Publieke Waarden (die naam lijkt ook door Orwell te zijn verzonnen) heeft een ‘prikbordpamflet’ samengesteld met 40 van dit soort gedrochten.

Newspeak

newspeak zorgsectorHet is inmiddels ruim 30 jaar geleden dat 1984 verscheen, de dystopie van George Orwell (Orwell schreef zijn boek overigens nóg 35 jaar eerder, in 1949). 1984 gaat niet alleen over de totalitaire samenleving, maar ook over taal. Eén van de middelen waarmee ‘De Partij’ de burgers in het gareel wil houden is immers Newspeak, Nieuwspraak in de Nederlandse vertaling. De Partij hanteert slogans die gebaseerd zijn op een contradictie, zoals Oorlog is vrede (War is peace) en Onwetendheid is kracht (Ignorance is strength). Een eigentijds voorbeeld van zo’n contradictie is de ‘Eigen kracht’-beweging (met de Eigen Kracht Centrale en de Eigen Kracht Conferenties). Die verhullen veelal dat er sprake is van een serieus probleem, dat juist gepaard gaat met de nodige zwaktes…

Transitietaal

Ook de transitietaal bevat contradicties die de bureaucraten van Orwell niet zouden misstaan. Een mooie is efficiencykorting. Met efficiency kun je geld besparen, maar de overheid brengt de korting alvast in rekening bij de overdracht. De gemeenten worden als het ware vooraf gestraft voor hun efficiency – die ze overigens eerst nog in de praktijk moeten brengen. Een andere is maatwerkprotocol, terwijl het karakter van maatwerk nou juist is dat je kunt afwijken van een protocol. Een contradictie zit ook in het woord recentralisatie: overdracht van bevoegdheden, oké, maar het centrale gezag wil wel controle blijven uitoefenen.

Helder denken

Hoe rampzalig de transitietaal ook is, op één punt wijkt ze fundamenteel af van Orwells Newspeak. Dat is immers een extreem gecomprimeerde vorm van het Engels, een soort simplified English. Het idee daarvan is dat alle woorden en uitdrukkingen waarin je kritiek op De Partij zou kunnen geven, uit de taal geëlimineerd worden. Newspeak maakt het niet alleen vrijwel onmogelijk om kritiek te formuleren, maar zelfs om kritisch te denken. Maar in de transitietaal gaan juist alle remmen los. Gevolg daarvan is een wildgroei aan nieuwvormingen en samenstellingen zoals vraagverheldering, samenredzaamheid en kostendelersnorm. Maar het effect is hetzelfde: helder formuleren en helder denken worden onmogelijk gemaakt.

05 | 01 | 2015 | door: Erik van der Spek

17 miljoen selfies: de communicatietrends van 2015

Een jaarwisseling is niet compleet zonder voorspellingen. Waar ze vandaan komen is minder belangrijk: de kristallen bol maakt overuren. Ook wij doen graag mee met onze top-5 van de communicatietrends van 2015. Over het emoticon, de slogan en natuurlijk de 17 miljoen selfies.

1. Bellen is uit. Althans als je geen belafspraak hebt. Steeds meer mensen ervaren een onaangekondigd telefoontje als een inbreuk op hun privacy. En steeds vaker krijg ik een mailtje met een tekst als: kan ik je dinsdag tussen 14.00 en 16.00 bellen? Mijn reactie: je mag altijd bellen, alleen neem ik niet altijd op. Maar ik ben een minderheid aan het worden.

communicatietrends2. Zelfexpressie is heilig. De bekende ‘fifteen minutes of fame’ van Andy Warhol zijn niet meer genoeg. Sociale media en internet geven iedereen de kans zijn gezicht, zijn ideeën en meningen te ventileren. Iedereen is bezig met personal branding. De 17 miljoen selfies van koning Willem-Alexander zijn nog maar het begin.

3. Het kan altijd korter. Internet zet de norm: zo min mogelijk platte tekst, maar steekwoorden, slogans, catch phrases. Zoals Gerrit Komrij al zei: “Kome wat kome, maar kome de punt op tijd.”

4. Beeld heeft de voorkeur. Een plaatje zegt meer dan 1000 woorden. Dat is niet altijd waar, maar internet en sociale media worden steeds meer gericht op beelden. De toekomst is aan infographics, foto’s met bijschriften en speelse illustraties. En als beelden toch aangevuld moeten worden met tekst, dan graag beeldend taalgebruik: mighty metaphor.

5. Gevoel verdringt verstand. TV begon, internet doet ook flink mee en dan kan de rest van de communicatie niet achterblijven. Het gaat er steeds meer om dat we een goed gevoel krijgen. In de woorden van de Amerikaanse schrijfster Maya Angelou:  “I’ve learned that people will forget what you said, people will forget what you did, but people will never forget how you made them feel.” Niet voor niets was het woord van 2014 een emoticon: het hartje.

Contact? Bel 035 - 623 77 85 of mail info@hvds.nl